Conclusie
eerstecassatieklacht richt zich tegen het deel van de strafmotivering waarin het hof overweegt — ik parafraseer — dat een telastelegging ter zake van moord niet ondenkbaar was geweest. Aldus wekt het hof het vermoeden dat verzoeker is veroordeeld voor doodslag en gestraft voor moord, aldus de klacht. Klaarblijkelijk wordt bedoeld dat het hof bij de strafoplegging is getreden buiten de grondslag van de telastelegging.
gematigdeinvloed, enerzijds omdat van de rechter niet gevergd kan worden dat hij voorbijgaat aan strafverzwarende omstandigheden die zijn komen vast te staan, en anderzijds omdat het OM als dominus litis heeft gekozen voor de telastelegging van de mildere strafbepaling waaraan de rechter op grond van het opportuniteitsbeginsel gebonden is. In dit verband wijs ik ook nog op de opvatting van De Jong (a.w. blz. 168) dat het opportuniteitsbeginsel zoals dat is uitgekristalliseerd in
tweedeklacht strekt ten betoge dat het hof het ter zitting gedane beroep op overschrijding van de grenzen der humaniteit ten onrechte niet heeft opgevat als een beroep op het verbod van onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
op het tijdstip van zijn beslissinggeen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen houden. Voorts houdt die bepaling in dat gratie wordt verleend indien in redelijkheid met de (voortzetting van de) tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel wordt gediend. Hieruit kan worden afgeleid dat de rechter zich heeft te onthouden van beslissingen waarmee geen enkel strafrechtelijk relevant doel wordt gediend, en voorts dat hij in zijn beslissing reeds alle factoren dient te verdisconteren die voor de tenuitvoerlegging van belang zijn. In dit licht bezien creëert het hof een vicieuze cirkel: bij de strafoplegging wordt geen rekening gehouden met de strafbekwaamheid van de verdachte omdat daarvoor het tijdstip van de aanvang der executie beslissend is, terwijl het gratie-advies te dier zake (strikt genomen) negatief zou moeten luiden omdat daarin geen voordien onbekende feiten worden aangevoerd.