ECLI:NL:PHR:1995:AA3172
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geoorloofdheid navordering vennootschapsbelasting en stelt voorwaarden heffingsrente
Deze zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake vennootschapsbelasting 1987. De belanghebbende, een vennootschap, had haar aangifte aangevuld met winstgegevens over 1986, maar de primitieve aanslag hield hier geen rekening mee. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd met boete en heffingsrente.
Het hof had de navorderingsaanslag verminderd door de boete en heffingsrente te schrappen, omdat het niet aannemelijk was dat de belastingdienst de suppletie had ontvangen. De Hoge Raad bevestigt dat navordering geoorloofd is indien de inspecteur een onjuist inzicht heeft in feiten of recht, en dat de bewijslast omtrent ontvangst van de suppletie bij de belanghebbende ligt.
Verder overweegt de Hoge Raad dat heffingsrente bij navorderingsaanslagen niet automatisch verschuldigd is wanneer de navordering overeenkomt met tijdig gedane aanvullingen op de aangifte. De wetgever heeft niet voorzien in situaties waarin de primitieve aanslag te laag is door een niet verwerkte suppletie. De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar een ander hof voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling, waarbij de navordering geoorloofd is en heffingsrente onder voorwaarden niet verschuldigd is.