Conclusie
Partijen zijn over veel punten verdeeld. De rechtbank heeft in r.o. 3 van haar tussenvonnis van
(I) [eiser] heeft Provincial bij exploit van 23 april 1976 gedagvaard voor de rechtbank in Amsterdam en veroordeling gevorderd van een bedrag van f. 99.977,40;
(II) Nadat Provincial op 24 november 1976 van antwoord had gediend, is [eiser] op 29 maart 1977 failliet verklaard. De curator heeft geweigerd het geding over te nemen. De procureur van [eiser] heeft zich vervolgens op 7 december 1977 teruggetrokken;
(IV) Bij akte van 23 juni 1986 heeft Provincial verval van instantie gevorderd. [eiser] heeft zich hiertegen verweerd – de stukken zijn niet in het geding gebracht -, maar zonder succes, want op 8 oktober 1986 is de vervallenverklaring uitgesproken;
(V) Als in appel onbestreden heeft het hof aan de voorgaande feiten toegevoegd dat Provincial reeds op 27 juli 1986 [eiser] schriftelijk heeft laten weten dat wanneer hij de procedure zou hervatten, zij een beroep zou doen op rechtsverwerking (r.o. 4.6);
onderdelen 1 en 2kunnen gezamenlijk worden behandeld. Kort samengevat betogen zij dat het hof een onjuiste maatstaf voor rechtsverwerking heeft aangelegd, althans dat het zijn beslissing onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.
hetzijbij de wederpartij (de schuldenaar) het vertrouwen wordt gewekt dat een bepaald recht niet meer bestaat of niet meer zal worden uitgeoefend,
hetzijde positie van de schuldenaar onredelijk wordt benadeeld/verzwaard indien de schuldeiser zijn recht alsnog zou vervolgen. Zie voor voorbeelden van deze benadeling/verzwaring met name Tjittes, 1992, nr. 19 sub a-f. Ze hebben onder meer betrekking op het verloren gaan of bemoeilijken van bewijs, van verhaalsrechten jegens derden en van de mogelijkheid tot herstel of tot schadebeperking. Zie voorts HR 25 februari 1994, NJ 1994, 450 waarin ook van belang is geoordeeld dat de schuldenaar tijdig voorzieningen kan treffen teneinde de financiële gevolgen van het geldend maken van de aanspraak te ondervangen.
onderdeel 3faalt. Het hof heeft geoordeeld dat in de gegeven omstandigheden een termijn van nog eens bijna drie jaar na het voor [eiser] ongunstige vonnis tot vanwaardeverklaring te lang is. Dit oordeel kan niet met succes bestreden worden met het argument dat ook voor verval van instantie en voor de verjaring van vorderingen ingevolge het (in casu niet toepasselijke) huidige recht een termijn van drie jaar geldt: die termijnen vormen niet de maatstaf voor rechtsverwerking. Zie de onder 7 genoemde uitspraken, waarin de termijnen alle langer waren terwijl toch geen rechtsverwerking werd aangenomen, en vergelijk deze met het arrest HR 25 februari 1994, NJ 1994, 450 waarin al een termijn van twee jaar in de omstandigheden van dat geval te lang werd bevonden.
onderdeel 4faalt. Wat betreft de verzwaring van de bewijspositie van Provincial en het niet aanhouden van schadereserve, geldt dat voorzover deze een tweede zelfstandige grond vormen voor de beslissing van het hof, [eiser] geen belang heeft bij deze klacht omdat de eerste grond – opgewekt vertrouwen – in cassatie standhoudt. Voorzover de beide elementen geen zelfstandige grond vormen, maar bedoeld zijn als ondersteuning van de argumentatie in r.o. 4.6 en 4.7, mist het onderdeel feitelijke grondslag, omdat het veronderstelt dat het hof alleen op die basis (samen met de kwestie van het ontbreken van een konkrete verklaring) tot rechtsverwerking heeft geconcludeerd. Overigens gaat de klacht ook inhoudelijk niet op: de verzwaring van de bewijspositie en het niet aanhouden van een schadereserve kunnen zeer wel een beslissing tot rechtsverwerking dragen of ondersteunen. Zie hiervoor in nr. 8. Ook wat betreft het ontbreken van een konkrete verklaring voor de opstelling van [eiser] om ondanks de brief van 27 juli 1986 en ondanks het voor hem ongunstige vonnis tot vervallenverklaring van instantie nog bijna drie jaar te wachten met het opnieuw in rechte betrekken van Provincial, geldt dat een dergelijke verklaring zeer wel van belang had kunnen zijn voor de beoordeling van het beroep op rechtsverwerking. Door zo’n gekonkretiseerde verklaring achterwege te laten, heeft [eiser] het hof – en daarmee zichzelf – die mogelijkheid onthouden.