Conclusie
daaraan(volgens mij) de consequentie verbonden dat art. 1623k lid 1 toepassing behoort te vinden. Uit het citaat blijkt, wanneer de inhoud daarvan juist is, dat het hof aldus oordelend een sprong te weinig heeft gemaakt.
eengeheel is verhuurd. Het bovenstaande arrest vormt een aanwijzing, dat dit ook door de HR wordt aanvaard.
eengeheel, dat voor een deel uit een woning bestaat en voor de rest uit de overige bedrijfsruimte,.... Hierbij is de onzelfstandigheid van de woning
nietgelegen in het
niet-voldoenaan de criteria van lid 3 van art. 1623a, maar in het feit dat de woning tezamen met de eigenlijke bedrijfsruimte in engere zin als
eencomplex van bedrijfsruimte is verhuurd. En zo'n onzelfstandige woning in deze betekenis van art. 1624 lid 2 tweede Pro zin kan dan hetzij een onzelfstandige woning, hetzij een zelfstandige woning in de zin van art. 1623a lid 3 zijn!
gewoondwordt. Naar het mij voorkomt moet de passage daarom zo begrepen worden dat van een ruimte, een pand, door de hoofdverhuurder een deel als bedrijfsruimte, een ander deel als woonruimte kan zijn verhuurd. Als dat laatste deel onderverhuurd wordt, geldt daarvoor art. 1623k: de hoofdverhuurder wordt in beginsel verplicht na beëindiging van de hoofdhuur voor dat woongedeelte, met de onderhuurder de huur voort te zetten. Als de passage anders moet worden begrepen, komt zij, dunkt mij in strijd met wat overigens in die overweging wordt beslist. Bovendien zou de door de Hoge Raad gegeven ratio van de in het arrest neergelegde beslissing geweld lijden. Want juist ook als na verhuur van een geheel als bedrijfsruimte, de huurder delen daarvan als woonruimte onderverhuurt, en zulks voor die delen zou leiden tot toepasselijkheid van art. 1623k, geldt dat dit tot gevolg zou hebben