Conclusie
onderdeel 2b: het oordeel van de rechtbank dat het gehuurde tevens de goodwill omvat, is allerminst onbegrijpelijk, aangezien zij zich daarbij kon baseren op de tekst van de huurovereenkomst zelf, waarin de goodwill uitdrukkelijk als onderdeel van het gehuurde is vermeld (blad 1 van de door Lindenweerd bij concl. van antw. in het geding gebrachte overeenkomst). De beslissing is evenmin rechtens onjuist, aangezien goodwill een voor huur en verhuur vatbaar vermogensrecht is. Vergelijk o.m. Asser-Abas, 5 II, 1990, nr. 8 die verwijst naar Cohen Jehoram, Goodwillrecht, 1963, p. 161/165 en HR 8 november 1963, NJ 1963, 527. Zie ook HR 22 december 1978, NJ 1979, 231.
onderdeel 2a: voor een zo beperkte opvatting over het begrip ‘’rustig genot’’ als daarin verdedigd, heb ik geen enkele aanwijzing gevonden. Integendeel. De rechtspraak bijvoorbeeld omtrent aansprakelijkheid van de verhuurder ingeval van overlast van o.m. andere huurders, kan alleen begrepen worden indien men
nietde in het onderdeel verdedigde opvatting huldigt. Vergelijk voor deze rechtspraak HR 17 december 1982, NJ 1983, 511; HR 5 oktober 1990, NJ 1991, 295; HR 27 september 1991, NJ 1992, 131 en HR 16 oktober 1992, NJ 1993, 167. In casu gaat het om de huur van een camping. Wanneer op enigerlei manier de naam van deze camping negatief in de publiciteit komt, betekent dit meestal, zoals in casu, een vermindering van het aantal campinggasten en dus een vermindering van de winstcapaciteit (goodwill). Het lijkt mij evident dat dit een aantasting vormt van het rustig genot, waarop art. 1586 sub Pro 3 (oud) BW het oog heeft, zeker nu in het onderhavige geval de goodwill deel uitmaakte van het gehuurde.
Onderdeel 3aklaagt er over dat de rechtbank stilzwijgend voorbij is gegaan aan een aantal met name genoemde omstandigheden die Lindenweerd ter rechtvaardiging van haar optreden heeft aangevoerd. De klacht gaat langs de kern van de beslissing van de rechtbank heen doordat Lindenweerd zich vooral richt op het zwembad, terwijl de rechtbank het heeft over de verdere plannen. Ik werk dit uit.
onderdeel 3bfaalt. Lindenweerd had zich, uitgaande van de onvermijdelijkheid van publiciteit, moeten beraden op de gevolgen hiervan voor Minnes c.s. Daarop had zij haar gedrag moeten afstemmen, bij voorkeur vóór het definitief sluiten van de overeenkomst met de gemeente. Wellicht hééft zij dit ook gedaan, maar of dit zo is zal mogelijk blijken uit hetgeen bij de vervulling van de bewijsopdracht naar voren komt. Zowel kantonrechter (r.o. 8, hiervoor geciteerd) als rechtbank (r.o. 12) overwegen uitdrukkelijk dat wanneer Lindenweerd in het haar opgelegde bewijs slaagt, er geen sprake is van wanprestatie.
Onderdeel 3cfaalt eveneens. De rechtbank heeft niet miskend dat de geheimhoudingsplicht deel uitmaakt van een andere, niet tot stand gekomen overeenkomst. De vermelding ervan dient alleen ter onderstreping van het feit dat Lindenweerd de gevolgen had moeten beseffen welke de openbaarmaking van haar plannen met betrekking tot de camping bij de campinggasten zouden teweegbrengen.
Onderdeel 1aacht ik derhalve gegrond.
onderdeel 1b. De rechtbank heeft geoordeeld dat Lindenweerd wanprestatie heeft gepleegd doordat zij het rustig genot van Minnes c.s. heeft geschonden, hierin bestaande dat zij niet voorkomen heeft dat haar plannen met betrekking tot de 185 (stenen) bungalows in de publiciteit kwamen. De kwestie van de schadebeperkingsplicht van Minnes c.s. speelt in deze fase – het bepalen van wat onder rustig genot is te verstaan (r.o. 8) en of Lindenweerd wanprestatie heeft gepleegd (r.o. 10) – geen rol. Hetzelfde geldt voor de vraag of de bewijsopdracht over de periode vóór 12 juli 1989 terecht is gegeven (r.o. 11) en voor het al of niet vereist zijn van een ingebrekestelling (r.o. 14). Het gedrag van Minnes c.s. na de wanprestatie van Lindenweerd kan, voorzover er een beroep op is gedaan, worden meegenomen in de beslissing over de schadebeperking.