Conclusie
Onderdeel Avan het middel bevat geen klacht en behoeft geen bespreking.
Onderdeel Bkeert zich in de subonderdelen 1 t/m 4 tegen het eerste gedeelte van r.o. 4.6 van het bestreden arrest en betoogt dat, anders dan het hof heeft beslist, de korte verjaringstermijn genoemd in art. 1490 (oud) BW voor de rechtsvordering tot nietigverklaring van de overeenkomst ook geldt voor de rechtsvordering tot schadevergoeding ex art. 1489 (oud) BW.
Onderdeel Cis gericht tegen r.o. 4.8 van het bestreden arrest. In deze rechtsoverweging heeft het hof beslist dat het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam, voor zover daarin is beslist dat [eiser] door middel van kunstgrepen bedrog jegens [verweerder] heeft gepleegd, in het onderhavige geding bindende kracht heeft.
Onderdeel Dkomt op tegen r.o. 4.10 van het bestreden arrest. In deze rechtsoverweging verwerpt het hof de door [eiser] aangevoerde grief tegen het oordeel van de rechtbank dat de schadevordering van [verweerder], in zoverre deze is gegrond op bedrog, in beginsel toewijsbaar is.
Onderdeel Eklaagt over r.o. 4.12 van het bestreden arrest. Op het geschilpunt dat in deze rechtsoverweging aan de orde is, heeft het hof [eiser] in het gelijk gesteld. Het onderdeel moet daarom reeds wegens gebrek aan belang falen.
Onderdeel Fbestrijdt het oordeel van het hof (r.o. 4.15) dat art. 1286 (oud) BW op de door [verweerder] geclaimde rentederving niet van toepassing is.
Onderdeel Gkomt op tegen r.o. 4.19 van het bestreden arrest en betoogt dat het oordeel van het hof, dat geen algemene rechtsgrond tot matiging van schadevergoeding bestaat, geen (begrijpelijke) weerlegging inhoudt van [eiser] zevende grief tegen het vonnis van de rechtbank.
conclusiestrekt tot verwerping van het beroep.