Conclusie
bK. meebrengt dat art. 2014 niet Pro van toepassing is.
Middel Iacht deze beslissing onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd, stellende dat het hof niet heeft beslist dat het in casu om een zeeschip gaat, terwijl de toepasselijkheid van art. 2014 op Pro binnenschepen in de art. 752 en Pro 758 K. anders geregeld is.
Middel IIvoert hiertegen aan dat het hof heeft miskend dat het casco, na afbouw, voor doorlevering was bestemd, in welk geval het eigendomsvoorbehoud niet kan worden ingeroepen tegen een derde die het schip verwerft; althans dat een beroep op het eigendomsvoorbehoud in strijd is met recht en billijkheid, aangezien Classic Yard Motorsegler- und Yachtbau GmbH het casco voor haar rekening had laten afbouwen. Het middel voegt daaraan nog de motiveringsklacht toe dat het hof niet is ingegaan op het betoog van Hinck dat het handelsverkeer ervan uitgaat dat de derde in een geval als het onderhavige de eigendom ondanks het voorbehoud verkrijgt.
in beginselmoeten worden gezocht aan de hand van de verkeersopvattingen. Zie voor een recent voorbeeld HR 5 dec. 1986, NJ 1978, 745 m.o. W.M.K.
kK. moet een schip in aanbouw reeds als een schip worden beschouwd. Verg. art. 8:1 leden Pro 1 en 6 NBW (het onderhavige casco heeft reeds gedreven) en o.m. HR 25 juni 1976, NJ 1978, 268, HR 24 sept. 1976, NJ 1978, 269 en HR 16 maart 1979, NJ 1980, 600, alle met noot B.W., en HR 22 juni 1984, NJ 1984, 651 m.o. G. Bovendien moet worden aangenomen, aangezien het vatbaar is voor hypotheek, dat het schip in aanbouw tijdens de bouw hetzelfde schip blijft. Verg. Picardt/Korthals Altes, Zee- en binnenvaartrecht voor het notariaat (1986), blz. 2: "eens een schip, altijd een schip", alsmede Engelhardt, De notarisklerk 1979, blz. 182 e.v. Voorts omvat het schip in beginsel het scheepstoebehoren en maken de voortbewegingswerktuigen deel uit van het schip (art. 309 K.).