Conclusie
Nr. 14.184
Zitting 8 maart 1991
Conclusie inzake:
1.1.3. [eiser] heeft zich op 13 juli 1987 tot de huurcommissie gewend met verzoek om advies ingevolge artikel 13 Huurprijzenwet Pro Woonruimte (Hpw) terzake van de tijdvakken 1984/1985, 1985/1986 en 1986/1987.
onderdeel 1van het middel, die zich keert tegen de feitelijke vaststelling in r.o.5 van het aangevallen vonnis onder a, eerste zin, voorzover die aldus moet worden verstaan dat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat tussen [eiser] en [betrokkene 1] een huurovereenkomst is totstandgekomen, mist feitelijke grondslag en faalt daarom. De betrokken vaststelling moet niet aldus worden gelezen; zij behelst niet meer dan een weergave van de inhoud van het daar genoemde huurcontract. Eerst in r.o.7 beantwoordt de rechtbank de door de eerste incidentele grief aan de orde gestelde vraag wie als [eiser] contractuele wederpartij heeft te gelden. Op dat antwoord prejudicieert de aangevallen feitelijke vaststelling niet.
onderdelen 2 en 3. In onderdeel 2 wordt de rechtbank verweten m.b.t. de vraag of de makelaar [betrokkene 1] het huurcontract destijds heeft gesloten in naam van de eigenaar (dus als onmiddellijk vertegenwoordiger) of in eigen naam maar (in opdracht en voor rekening van de eigenaar), het criterium van het "kribbenslijper"-arrest, HR 11 maart 1977, NJ 1977,521 (m.nt. G.J. Scholten) [1] te hebben miskend, te weten
Onderdeel 4betreft een geheel andere kwestie, nl. het verweer van De Rooij dat [verweerder] niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat hij de exclusieve rechtsgang van art.14 Hpw Pro had dienen te volgen.