ECLI:NL:PHR:1989:AD0995
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verrekening huurvordering met kredietvordering na faillissement verhuurder
De zaak betreft de vraag of de NMB bank haar schuld aan huurpenningen na het faillissement van verhuurder RSH kan verrekenen met een vordering op RSH uit een kredietovereenkomst. De curator vordert betaling van achterstallige huur, terwijl de bank zich beroept op compensatie op grond van art. 53 Faillissementswet Pro (Fw).
De rechtbank en het gerechtshof wezen de vordering van de curator af, stellende dat de huurtermijnen na faillissement toekomstige vorderingen zijn, maar dat de schuld voortvloeit uit een overeenkomst van vóór faillissement, waardoor verrekening mogelijk is. De curator stelde cassatie in met het middel dat de huurtermijnen afhankelijk zijn van het na faillissement verschaffen van huurgenot en dus niet voor verrekening in aanmerking komen.
De Hoge Raad bevestigt de eerdere rechtspraak dat ook verplichtingen voortvloeiend uit een rechtsbetrekking die vóór faillissement is ontstaan, na faillissement kunnen worden verrekend, ook als de schuld pas na faillissement ontstaat. De bijzondere aard van huur leidt niet tot een afwijkende behandeling. Ook het ontbreken van verband tussen huur- en kredietovereenkomst doet niet aan de verrekenbaarheid af.
De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt dat de huurovereenkomst doorloopt na faillissement verhuurder en dat de curator gehouden is het huurgenot te verschaffen. De schuld van de huurder vloeit dus voort uit een vóór faillissement bestaande rechtsbetrekking. Het oordeel van de rechtbank is een rechtsoordeel en voldoende gemotiveerd.
De conclusie is dat de bank haar huurachterstand mag verrekenen met haar vordering uit de kredietovereenkomst, ook al betreft het huurtermijnen die pas na faillissement vervallen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de bank de huurachterstand mag verrekenen met haar kredietvordering ondanks het faillissement van de verhuurder.