Conclusie
onder omstandighedenvoor de toepassing van de Wet Vpb. '69 als een (informele) kapitaalverstrekking moet worden geduid, kan m.i. slechts bevestigend worden beantwoord. Vgl. o.m. Juch, De deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting, diss. 1974, blz. 99-101; dezelfde schrijver, De deelnemingsvrijstelling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, Fiscale brochures FED, derde druk 1985, blz. 65; Verseput, De totale winst in de vennootschapsbelasting, Fiscale brochures FED 1984, blz. 39; Bartel, Familievennootschappen, Fiscale monografie, derde herziene druk 1981, blz. 126; Van Kempen, Projectuitvoering in het Midden Oosten/niet-verdragslanden, Kluwer/Fenedex 1978, blz. 67; De Vries/Sillevis, Cursus Belastingrecht (Vennootschapsbelasting), onderdeel 2-16.H. blz. 398-399; Hof Amsterdam 25 januari 1973, BNB 1974/64; en Hof Arnhem 31 januari 1975, BNB 1975/189, blz. 800, regels 36-38, alsmede 26 augustus 1982, BNB 1983/304, blz. 1658, regels 25-27.
schuld; hierin komt geen verandering ‘doordien de lening is verstrekt door de enig aandeelhouder, noch doordien de obligatieschuld het aandelenkapitaal vele malen overtreft, noch door enige andere bijzondere omstandigheid’. Het zou m.i. onjuist zijn uit het arrest B 8648 te concluderen dat voor de toepassing van de Wet Vpb 1969 steeds aangesloten moet worden bij de civiel-juridische vormgeving van de vermogensverschaffing'' (FED 1986/1265, blz. 4486).
algemene economisch-politieke grondende internationale expansie van het Nederlandse bedrijfsleven te stimuleren'' (t.a.p.).
verliesgevendedochter, zonder welke geldverstrekking de dochter genoodzaakt is haar verdere activiteiten te staken, is veelal eveneens in wezen sprake van een informele kapitaalinbreng. Dit zal zich bijv. voordoen in het geval waarin de dochter een negatief vermogen heeft en met de aldus ontvangen bedragen vrijelijk haar
overigecrediteuren voldoet, waardoor de moeder in feite
permanent postconcurrenten dus
risicodragendkapitaal heeft ingebracht. Onder deze omstandigheden heeft de moeder immers
als aandeelhoudstergehandeld en neemt zij niet de posities van
creditricein. Een aldus verrichte kapitaalinbreng dient eveneens op de kostprijs c.q. boekwaarde van de deelneming te worden bijgeboekt, terwijl veelal - in verband met de slechte vermogenspositie van de dochter - gelijktijdige gedeeltelijke of gehele
afboekingvan dit bedrag zal plaatsvinden; een dergelijke afboeking is echter een niet aftrekbaar negatief voordeel uit de deelneming.
zakelijkebelangen van de onderneming van de moeder (mede) afhankelijk zijn van de voortzetting van de activiteiten van de verliesgevende dochter, zal de geldverstrekking door de moeder het karakter van een reële lening niet ontberen, indien het door de dochter ontvangen geld niet slechts wordt aangewend tot voldoening van
anderecrediteuren, doch wordt benut om de commerciële activiteiten van de dochter nieuw leven in te blazen. Dit laatste zal slechts dan aannemelijk zijn indien ook de
overigecrediteuren de aflossing van hun vorderingen op de dochter tijdelijk willen opschorten. Immers onder deze omstandigheden heeft de geldverstrekking
niethet karakter van duurzaam achtergesteld vermogen, dat ten volle deelt in het
risicovan de onderneming'' (2.16.H. blz. 399).
civielrechtelijkewerkelijkheid’ (blz. 10).