Conclusie
15. Bij de dit geding inleidende dagvaarding van 3 mei 1978 vorderde [de scheepsmakelaar] te dezer zake schadevergoeding van [verweerder] , zijnde ƒ 100.000,- vermeerderd met 12% rente vanaf 20 november 1974.
onderdeel C-13 van het cassatiemiddel, vooropgaan. Het gaat hier om de kwestie hierboven onder 11 vermeld, waarbij de gegevens genoemd onder 17 en 18 tevens van belang zijn.
onderdeel C-13 van het cassatiemiddelgegrond. Daaraan doet niet af dat in het middel het vonnis, waarvan is geappelleerd, als “eindvonnis” wordt aangeduid, of schoon het in feite een interlocutoir vonnis is. De kwestie betreft een daarin uitdrukkelijk en zonder voorbehoud genomen eindbeslissing (die niet in een dictum naar buiten is gekomen), welke op het voorafgaande tussenvonnis voortbouwt. In die situatie geldt hetzelfde.
Onderdeel A-1houdt een feitelijke samenvatting in en behoeft geen bespreking. In haar kortheid is ze niet geheel zuiver. Ik verwijs daarom voor de feiten naar de aanhef van deze conclusie.
onderdelen A-2 en A-3wordt ervan uitgegaan dat [de scheepsmakelaar] gesteld zou hebben door het foute advies “reeds dadelijk (althans op 15 maart 1975)” schade te hebben geleden.
De rechter zal dit evenwel slechts kunnen doen met betrekking tot de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Vgl. ook G.R.J. de Groot, VR 1980, p. 53/54.
F.H.J.M. onder 2); Kluwers losbladige “Contractenrecht” VI, no. 955 en no. 965; G.R.J. de Groot in VR 1980, p. 50 l.k.; Kluwers losbladige “Onrechtmatige Daad” II, no. 22 e.v.; Asser-Rutten 4, I (1981), p. 190 e.v. en 4, III (1983), p. 95, 96.
de onderdelen A-4 tot en met B-12in hoofdzaak ontvallen.
Onderdeel A-4mist feitelijke grondslag.
Onderdeel B-5faalt, nu onderdeel A, waarop het voortborduurt, ongegrond te achten is.
Onderdeel B-6berust op verkeerde lezing van het arrest en mist derhalve evenzeer feitelijke grondslag.
de klacht in de eerste alinea van onderdeel B-7, die uitgaat van een vertrouwen bij [de scheepsmakelaar] dat hiermee in strijd komt.
de klacht in de tweede alineafeitelijke grondslag.
onderdeel B-8wordt wederom uitgegaan van het hierboven onder 64-69 besproken vertrouwen, dat [de scheepsmakelaar] zou hebben mogen koesteren. Dit uitgangspunt bleek reeds t.a.p. feitelijke grondslag te missen.
zekerheidswaarde van de constructie, d.w.z. verhaal bij voorrang tegenover mede-crediteuren ook bij faillissement, nihil was, doet daaraan niet af.
De klacht in de eerste alinea van onderdeel B-9berust op verkeerde lezing van het arrest, gezien de aantekeningen hierboven onder 65 en 66.
de tweede alineawordt gesteld wat naar het oordeel van de steller van het middel de aard van de relatie tussen het notariskantoor en [de scheepsmakelaar] met zich meebrengt.
de onderdelen B-10 en B-11tegen de afweging door het Hof in r.o. 7 van de wederzijdse gedragingen die tot de schade hebben bijgedragen, zijn in de sleutel van de causaliteit geplaatst.
Onderdeel B-12mist zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen afzonderlijke bespreking. Het loopt eveneens op het voorgaande vast.