Appellant, werkzaam als bewakingsmedewerker bij de Directie Gevangeniswezen Aruba, verzocht meerdere malen om bevordering naar hogere schalen. Na eerdere afwijzingen en vernietigingen van besluiten, werd hij uiteindelijk per 1 december 2020 bevorderd naar schaal 4, terwijl het verzoek om bevordering naar schaal 5 werd afgewezen vanwege onvoldoende anciënniteit.
Het Gerecht in Ambtenarenzaken had het bezwaar van appellant tegen het landsbesluit van 27 februari 2024 ongegrond verklaard en zijn verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Appellant stelde dat het Gerecht ten onrechte had geoordeeld dat het besluit van 27 februari 2018 ook zijn verzoek van 10 januari 2018 betrof en dat hij recht had op bevordering met ingang van 16 november 2017.
De Raad van Beroep oordeelde dat het Gerecht terecht had vastgesteld dat een bevordering vóór 1 december 2020 niet mogelijk was vanwege het ontbreken van een gunstige beoordeling. Ook was het verzoek om bevordering naar schaal 5 terecht afgewezen vanwege de anciënniteitseis van vier jaar. De Raad verwierp het beroep op overschrijding van de redelijke termijn, omdat de termijn pas vanaf 28 maart 2023 liep en minder dan drie jaar bedroeg tot de uitspraak.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees de verzoeken om schadevergoeding af, omdat het bestreden landsbesluit op goede gronden was genomen en geen sprake was van onrechtmatige besluitvorming.