Appellant, sinds 2011 Diensthoofd Studiefinanciering bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur, Jeugd en Sport, verzocht in 2019 om herwaardering van zijn functie van schaal 12 naar schaal 14 met terugwerkende kracht. Dit verzoek werd bij Landsbesluit van oktober 2020 afgewezen omdat de functie volgens het geldende bezoldigingsbesluit en functiebeschrijving niet in aanmerking komt voor een hogere schaal.
Het Gerecht verklaarde het bezwaar tegen de Minister niet-ontvankelijk en verwierp het bezwaar tegen de Gouverneur inhoudelijk. Het bezwaar tegen de functiewaardering zelf werd als niet-ontvankelijk beschouwd omdat functiewaarderingen als algemene regelingen niet vatbaar zijn voor bezwaar en beroep bij de ambtenarenrechter.
In hoger beroep stelde appellant dat het Gerecht onvoldoende had gemotiveerd en dat het bezwaar tegen beide geïntimeerden terecht was. De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet volstaat met enkel onvrede zonder concrete argumenten. Tevens bevestigde de Raad dat de Gouverneur het bevoegde gezag is en dat het Gerecht terecht het bezwaar tegen de functiewaardering niet-ontvankelijk verklaarde.
De Raad vernietigde het oordeel van het Gerecht voor zover het bezwaar tegen de waardering en inschaling ongegrond werd verklaard en verklaarde het Gerecht onbevoegd om van dat bezwaar kennis te nemen. Voor het overige bevestigde de Raad de aangevallen uitspraak.