ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG2179
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
- Hoger beroep
- W.P.M. ter Berg
- R.W.L. Loeb
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering vergunning tijdelijk verblijf wegens onvoldoende middelen van bestaan
Appellante verzocht om een vergunning tot tijdelijk verblijf of verblijf, welke door de Gezaghebber namens de Minister van Justitie werd geweigerd wegens onvoldoende aantoonbare middelen van bestaan. Het bezwaar van appellante werd door de Minister ongegrond verklaard en het Gerecht in eerste aanleg bevestigde deze beslissing.
In hoger beroep stelde appellante dat uit de overgelegde stukken bleek dat haar partner voldoende inkomen had en dat het geweigerde verblijf in strijd was met artikel 8 EVRM Pro inzake gezinsleven. Het Hof oordeelde dat de verklaringen van een opdrachtgever en een Inspecteur der Belastingen onvoldoende bewijs leverden dat het inkomen daadwerkelijk werd genoten en dat dit duurzaam was. Tevens is in de bestuurlijke fase aan te tonen dat aan toelatingseisen wordt voldaan; dit kan niet voor het eerst in rechte.
Verder concludeerde het Hof dat appellante geen verblijfstitel was ontnomen die gezinsleven mogelijk maakte en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een positieve verplichting tot verblijf zouden rechtvaardigen. Ook was niet gesteld of gebleken dat er objectieve belemmeringen voor gezinsleven in het land van herkomst bestonden.
Het Hof bevestigde daarom het vonnis van het Gerecht en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het Hof bevestigt de weigering van de verblijfsvergunning wegens onvoldoende aantoonbare duurzame middelen van bestaan.