Uitspraak
Tijdens de zitting bij het Hof heeft de minister daaraan toegevoegd dat de bevoegdheid tot goedkeuring van het verkavelingsplan ontbrak voor wat betreft de ruimtelijke invulling van percelen. Volgens de wetgeving die gold ten tijde van de vaststelling van het verkavelingsplan in 1960 en de herziening van het verkavelingsplan in 1992 was het Bestuurscollege alleen bevoegd om eisen te stellen ten aanzien van wegen. De toch geregelde aspecten werden als een ‘afsprakensysteem’ aangemerkt, die als privaatrechtelijke overeenkomst gezien moet worden met de toenmalige grondeigenaar. Als een nieuwe eigenaar van een perceel het niet met die afspraken eens is, kan de minister nieuwe afspraken met die eigenaar maken. Voorstellen daartoe kunnen in een aanvraag om een bouwvergunning worden neergelegd.
Volgens de minister zou toepassing van de regels uit het verkavelingsplan overigens ook tot de conclusie leiden dat de woningen van de omwonenden in strijd daarmee zijn gebouwd. Daarnaast wijst de minister er nog op dat alleen het gebouw dat het verst is gelegen van de omwonenden in strijd zou zijn met de dan geldende rooilijn van 8 meter, waardoor er geen belang is bij het handhaven van deze rooilijn. Verder wijst hij op plantekening PA 306, waarin een rooilijn van 7,5 meter langs de Caracasbaaiweg wordt gehanteerd en 5 meter langs de geprojecteerde weg ten noorden van de bouwkavels. Rooilijnen van 11 respectievelijk 8 meter waren volgens hem bedoeld voor de percelen ten westen van de Ceresstraat. Ook wijst hij er nog op dat rooilijnen mede aan de hand van een beoogd bouwwerk worden bepaald en op grond van de Bwv per vergunning worden vastgelegd.
Vaststelling bouwhoogte
“Bij toepassing van de globale dan wel uitgewerkte bestemmingsvoorschriften gelden de volgende bepalingen:
a. De bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf de gemiddelde hoogte van het terrein waarop het bouwwerk staat, na het bouwrijp maken daarvan, tot aan het hoogste punt van het bouwwerk.”
“Indien bouwvergunning wordt aangevraagd voor bebouwing met een grotere bouwhoogte dan 8 meter, dient een afweging plaats te vinden tussen het met die grotere bouwhoogte te dienen belang en de mogelijke hinder of ontsiering voor de omgeving, welke door die grotere bouwhoogte eventueel kan ontstaan.”
“Wijze van meten en toelichting:
Bouwrijp maken van een stuk grond betekent dat men het maaiveld gaat bewerken voordat er met bouwen begonnen kan worden. Een bouwrijp terrein is een terrein zonder verhardingen, funderingen, gebouwen, bomen en wortels, struiken en andere obstakels die de aanvang van de werken in de weg kunnen staan.
De gemiddelde hoogte van het terrein waarop een bouwwerk staat is de gemiddelde maaiveldhoogte. Deze wordt dus bepaald NA het bouwrijp maken, oftewel na het op hoogte brengen of vlakmaken van het terrein om daarop te kunnen bouwen.
De bouwhoogte wordt bepaald zoals aangegeven op de tekeningen hieronder. Ten behoeve van de toetsing dient de aanvrager op de bouwtekening het nieuwe maaiveld aan te geven (bouwrijp gemaakt).
[…]”
Gevelrooilijnen
Het betoog van de minister dat rooilijnen per vergunning moeten worden vastgelegd, slaagt evenmin. Dit betoog vindt geen steun in artikel 33 van Pro de Bwv, waarin staat dat dat het geval is als de gevelrooilijnen niet voortvloeien uit een goedgekeurd verkavelingsplan. Het betoog van de minister dat toepassing van de regels uit het verkavelingsplan tot de conclusie zou leiden dat de woningen van de omwonenden ook in strijd daarmee zijn gebouwd, maakt dat niet anders. Dit kan namelijk niet tot het oordeel leiden dat de minister bij de toetsing van de vergunningaanvraag van Stadsrust het verkavelingsplan terzijde mocht schuiven.
“De gevelrooilijnen van de bebouwing langs de wegen met een grotere breedte dan 10 meter, dienen te worden aangehouden op tenminste 11 meter gemeten vanuit de eigendomsgrens langs de wegstrook; voor de overige wegen en toegangspaden dient de gevelrooilijnen te worden aangehouden op tenminste 8 meter vanuit de eigendomsgrens.”Daarbij is niet gespecificeerd dat dit alleen geldt voor de percelen ten westen van de Ceresstraat.
Afwatering
Bouwhoogte
Gevelrooilijnen
Hechtheid bouwwijze
Ontsiering
Hinder
Over het zicht op hun perceel en in hun woningen voeren zij aan dat er geen 3D tekeningen met zichtlijnen zijn. Ze betwisten dat er hoge muren voor hun woningen staan, omdat de muur van omwonende 1 tot maar net iets boven het perceel van Stadsrust reikt. Verder voeren zij aan dat er inkijk zal zijn vanuit maar liefst zes appartementen, waarvan een deel steeds voor korte termijn aan wisselende personen verhuurd zal worden. De eis in artikel 4 van Pro de vergunning dat langs bouwwerk A vijf bomen en een wand van natuurlijke vegetatie geplaatst moeten worden, lost verder het inkijkprobleem voor omwonende 3 niet op en de bomen op zijn perceel nemen dat ook niet weg. Bovendien achten zij een wand van plantjes geen duurzame oplossing, nu zij hiermee afhankelijk worden van de inspanningen van de toekomstige bewoners om die te verzorgen.
Verder betogen zij dat de motivering dat de schaduw van bouwwerk A die voor een klein deel over de muur van appellant zal vallen, niet anders is dan de schaduw van de bomen van appellant, niet volstaat, nu onduidelijk is over welke appellant en welke bomen dit gaat en op welke berekeningen dit gebaseerd is. Zij wijzen erop dat ook de vijf te plaatsen bomen een schaduwwerking zullen hebben voor in ieder geval omwonende 1.
Brandgevaar
Afwatering
- Op pagina 4 van het rapport wordt aangeven dat in het rapport ook is meegenomen de opvang van water van percelen ten noorden van het bouwplan.
- Op pagina 7 van het rapport staat beschreven dat in de bestaande situatie het water van de buurpercelen aan de cul-de-sac via een drainagekanaal en een pijp wordt afgevoerd in het drainagesysteem aan de Nieuwe Caracasbaaiweg.
- Op pagina 8 staat dat in de voorgestelde nieuwe situatie het regenwater van de daken van gebouw A, B en het landhuis Stadsrust, de parkeerplaatsen en een deel van de straat wordt opgevangen in de drainagegoten S-5 S-6 bij de entree van het complex en wordt geleid door de pijpen in de secties S-5 S-6 en S-6 T-3, om vervolgens afgevoerd te worden in een open drainagekanaal aan de Kaya Panacea.
- Op pagina 9 is voor de nieuwe situatie aangegeven hoe het water van de buurpercelen ten noorden van de gebouwen D en E wordt opgevangen, namelijk bij de grens van het perceel bij een versterkt betonnen kanaal met een rechthoekige doorsnee, om getransporteerd te worden via de pijpsegmenten C-1 T-1, T-1 S-2 en S-2 T-2, naar de entree T-2, gelegen aan de grens van het perceel. Hierna wordt het water in een open drainagekanaal afgevoerd naar de Nieuwe Caracasbaaiweg.
- Op pagina 12 staat dat ook de ontvangst van water van buurpercelen is meegenomen.
bevestigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 11 juni 2024 in zaken nrs. CUR202301184 en CUR202400114;
verklaartde beroepen van omwonende 1, omwonende 3 en omwonende 5 tegen de beschikking van de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning van 27 oktober 2025, nummer 439-2017, gegrond;
vernietigtartikel 4, derde lid, van die beschikking;
bepaaltdat artikel 4, derde lid, komt te luiden:
‘De projectontwikkelaar/vergunninghouder is verplicht om de hemelwaterafvoer uit te voeren conform de uitgangspunten in de rapporten van Ascon en BSL, waaronder de technische tekeningen in de bijlage bij het rapport van Ascon.’;
bepaaltdat de uitspraak van het Hof onder IV in de plaats treedt van de beschikking van 27 oktober 2025, voor zover vernietigd;
veroordeeltde minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning tot vergoeding van de bij omwonende 1, omwonende 2, omwonende 3 en omwonende 4 in verband met de behandeling van het beroep tegen de beschikking van 27 oktober 2025 en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Cg 2.100,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.