Uitspraak
Het beroep van appellanten tegen de bouwvergunning voor het uitbreiden en verbouwen van de al bestaande woning en het bouwen van een zwembad (nr. 758/2022) is door het Gerecht niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Appellanten hebben hiertegen geen hoger beroep ingesteld. Daarmee is de bouwvergunning voor het uitbreiden en verbouwen van de al bestaande woning en het bouwen van een zwembad (nr. 758/2022) onherroepelijk geworden.
Het Gerecht heeft in de uitspraak van 28 augustus 2025 het beroep tegen de bouwvergunning voor het bouwen van de buitentrappen (nr. 635/2024) gegrond verklaard en deze bouwvergunning vernietigd. Orasis heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Orasis voert verder nog aan dat het Gerecht ten onrechte in de overwegingen heeft opgenomen dat Orasis heeft bevestigd dat de trappen niet conform bouwvergunning 635/2024 zijn gebouwd. Orasis heeft verklaard dat de trappen niet helemaal conform de eerste bouwvergunning 758/2022 zijn gebouwd. De trappen zijn wel in overeenstemming met bouwvergunning 635/2024.
Moet de vergunningaanvraag aan het verkavelingsplan worden getoetst?
“a. Rechtsgeldige verkavelingsplannen, welke tot stand zijn gekomen op grond van paragraaf 10 van de Bouw- en woningverordening 1935 of op grond van de overgangsregeling van hoofdstuk XIV EROC (Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao) blijven van kracht behoudens intrekking of wijziging ervan op de wijze, zoals voor beide typen van verkavelingsplannen gebruikelijk was.
b. Voor zover de globale of uitgewerkte bestemmingsvoorschriften niet overeenstemmen met de onder a bedoelde verkavelingsplannen, blijven deze laatste buiten toepassing.”
De minister stelt zich, gelet op het voorgaande, op het standpunt dat de goedkeuring van een verkavelingsplan van vóór 1983, zoals het verkavelingsplan Rooi Catootje, alleen betrekking heeft op de wegen en er voor andere aspecten dus geen goedgekeurd verkavelingsplan is zoals vermeld in artikel 22, aanhef en onder 8, van de Bwv. Het onderhavige bouwplan is daarom niet aan het verkavelingsplan Rooi Catootje getoetst. De minister heeft op de zitting uitgelegd waarom hij zich niet kan verenigen met het in een eerdere zaak gegeven oordeel van het Hof hierover.
10.1 Vóór de totstandkoming van de EROC werden verkavelingsplannen vastgesteld op grond van paragraaf 10 van de Bwv (zie ook de uitspraak van het Hof van 23 december 2019, ECLI:NL:OGHACMB:2019:239). Deze plannen werden opgesteld naar aanleiding van een voornemen van een grondeigenaar tot het oprichten of uitbreiden van woningcomplexen. Zij bevatten niet alleen voorschriften over de aan te leggen wegen zoals bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Bwv, maar ook bebouwingsvoorschriften. Deze verkavelingsplannen werden, samen met de voorschriften over de wegen en de bebouwing, goedgekeurd door het Bestuurscollege. Met de invoering van de Landsverordening grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning (hierna: Lvgro) op 15 februari 1982 en de EROC op 3 oktober 1983 is de figuur van het ontwikkelingsplan ontstaan. Het stellen van bebouwingsvoorschriften in een verkavelingsplan is daarmee overbodig geworden. Paragraaf 10 van de Bwv is dan ook door middel van artikel 42, onder k, van de EROC ingetrokken. Toch was het Bestuurscollege op grond van hoofdstuk XIV van de EROC bevoegd om nog gedurende vijf jaar verkavelingsplannen goed te keuren. Uit de memorie van toelichting bij de EROC volgt dat deze bevoegdheid was opgenomen ter overbrugging van de periode totdat de eerste ontwikkelingsplannen door de Eilandsraad van het toenmalige eilandgebied Curaçao zouden worden voorbereid. Deze overbruggingsperiode was nodig omdat zonder paragraaf 10 van de Bwv geen wettelijke mogelijkheid bestond om in een verkavelingsplan, zoals toen gebruikelijk was, afspraken te maken over de bebouwing van een kavel, aldus de memorie van toelichting.
[…]”
Tussenconclusie
Voldoet het bouwplan aan de voorschriften van het verkavelingsplan?
Artikel 1, eerste lid, van de Bwv definieert een gevelrooilijn als de lijn die bij het oprichten of het gedeeltelijk vernieuwen van een gebouw, behoudens bij of krachtens de Bwv toegelaten afwijkingen, op het te bebouwen terrein aan de naar de weg gekeerde zijde niet mag worden overschreden.
Artikel 33, eerste lid, van de Bwv bepaalt dat het vaststellen van gevelrooilijnen door de minister geschiedt bij het verlenen van een bouwvergunning, voor zover dit niet voortvloeit uit de bestemmingsvoorschriften van een ontwikkelingsplan of een goedgekeurd verkavelingsplan.
Artikel 36 van Pro de Bwv luidt: “Het is verboden bij het oprichten of het gedeeltelijk vernieuwen of het als eigenaar laten oprichten of het gedeeltelijk laten vernieuwen van een gebouw de vastgestelde gevelrooilijnen te overschrijden.”
Artikel 37 van Pro de Bwv luidt: “Het verbod van overschrijden der gevelrooilijn geldt niet ten aanzien van vergunningen als bedoeld in artikel 42 en Pro voorts van erfafscheidingen, stoepen, treden, terrassen, niet overdekte balkons, erkers, luifels, versieringen, goten en andere bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen genoemde uitspringende werken, mits aangebracht op of tot zodanige hoogte of op zodanige afstand van de begane grond en van geen grotere dan zodanige afmetingen, als bij zodanig eilandsbesluit te bepalen.”
Artikel 22 van Pro de Bwv bevat een limitatief-imperatief stelsel van weigeringsgronden. Dat stelsel houdt in dat een bouwvergunning alleen op de in artikel 22 van Pro de Bwv genoemde gronden mag worden geweigerd en moet worden geweigerd indien één of meer van die gronden zich voordoen. Doet zich geen weigeringsgrond voor, dan moet de gevraagde bouwvergunning worden verleend. Voor een nadere belangenafweging is op dit punt geen ruimte.
Artikel 1, onder 7, definieert een bebouwingsvlak als een door de op de plantekening aangegeven rooilijnen en/of door de in deze voorschriften omschreven rooilijnen gevormde bouwstrook.
Artikel 3, eerste lid, bepaalt dat gebouwen uitsluitend worden opgericht binnen de bebouwingsvlakken, tenzij elders in deze voorschriften anders is bepaald.
Volgens artikel 3, tweede lid, zijn de zij- en achtergevelrooilijnen gelegen op 3 meter afstand van de zijdelingse en achtergelegen perceelsscheidingen.
Artikel 3, derde lid, bepaalt dat de voorgevelrooilijn van de percelen rondom de cul-de-sac is gelegen op 1 meter afstand van de aan de cul-de-sac gelegen perceelsscheiding.
Volgens artikel 3, vierde lid, moet een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw op een perceel, gelegen aan de cul-de-sac, in zijn geheel in de voorgevelrooilijn zijn geplaatst, terwijl hier op de zijdelingse perceelsscheiding mag worden gebouwd.
Artikel 4, eerste lid en onder c, bepaalt voor eengezinshuizen van ten hoogste twee bouwlagen dat de afstand tot de zijdelingse perceelsscheiding tenminste 3 meter moet bedragen, behalve bij de cul-de-sac, waar op de perceelsscheiding mag worden gebouwd.
Gelet op de hiervoor genoemde bepalingen mag hier tot op de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd. Op de zitting heeft het Hof vastgesteld dat de muur tussen het bouwperceel en het perceel van appellant 1 kan worden aangemerkt als de kadastrale perceelsgrens. Dit klopt ook met de op de bouwtekening “existing site layout” aangegeven kadastrale perceelsgrens. Het Hof concludeert dat de trap op het perceel van Orasis binnen de kadastrale perceelsgrens ligt en daarmee voldoet aan de voorschriften van het verkavelingsplan. Daarbij gaat het Hof voorbij aan de stelling van appellant 1 dat hij eigenaar is geworden van de strook grond waarop de trap is geplaatst. Het Hof gaat uit van de kadastrale perceelsgrens, nu niet is gebleken dat de eigendomssituatie is gewijzigd ten opzichte van die opgenomen in het kadaster. In zoverre is er aanleiding om de rechtsgevolgen van de door het Gerecht vernietigde beschikking in stand te laten.
Conclusie
vernietigtde uitspraak van het Gerecht voor zover het Gerecht heeft nagelaten om te bepalen dat de rechtsgevolgen van de door het Gerecht vernietigde beschikking van 31 maart 2025 in stand blijven ten aanzien van de trap aan de zijdelingse perceelsgrens;
bevestigtdie uitspraak voor het overige;
bepaaltdat de rechtsgevolgen van de door het Gerecht vernietigde beschikking van 31 maart 2025 in stand blijven voor zover het betreft de trap aan de zijdelingse perceelsgrens;
bepaaltdat de minister een nieuwe beslissing neemt op de aanvraag van Orasis van 21 oktober 2024, voor zover het betreft de trap aan de cul-de-sac, met inachtneming van hetgeen het Hof in deze uitspraak heeft overwogen;
veroordeeltde minister tot vergoeding van de bij Orasis in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Cg 1.400,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
gelastdat de minister aan Orasis het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Cg 300,- vergoedt.