ECLI:NL:OGHACMB:2026:16

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
CUR2024H00178
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 7:611 BWArt. 7:628 BWArt. 6:248 BWArt. 6:262 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep loonvordering en bonus na werkzaamheden voor filiaal Venezolaanse bank in Curaçao

De zaak betreft een geschil tussen Banco Industrial de Venezuela C.A. (BIV) en een werknemer die als gerente general en later als liquidador werkte voor het Curaçaose filiaal van BIV. De werknemer vorderde betaling van achterstallig loon en een bonus. Het Gerecht in eerste aanleg wees het loon toe maar wees de bonus af. Beide partijen gingen in hoger beroep.

Het Hof oordeelde dat de arbeidsovereenkomst uit 2011 niet was beëindigd door latere overeenkomsten en dat de werknemer recht heeft op het overeengekomen loon en de bonus. De vertragingsvergoeding werd gematigd tot 10%. De vordering van de werknemer tot aansprakelijkheid van BIV voor belastingschulden werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Het Hof vernietigde het vonnis van eerste aanleg en veroordeelde BIV tot betaling van het loon, de vakantietoeslag en winstuitkering, vermeerderd met vertragingsvergoeding en wettelijke rente. De proceskosten werden deels toegewezen en deels gecompenseerd.

Uitkomst: Het Hof veroordeelt BIV tot betaling van achterstallig loon, vakantietoeslag en winstuitkering met vertragingsvergoeding en rente, en wijst de aansprakelijkheidsvordering voor belastingschulden af.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202203290 – CUR2024H00178
Uitspraak: 27 januari 2026
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in de zaak van:
1. de vennootschap naar Venezolaans recht
BANCO INDUSTRIAL DE VENEZUELA C.A.,
gevestigd te Caracas, Venezuela,
2. de openbare rechtspersoon naar Venezolaans recht
REPUBLICA BOLIVARIANA DE VENEZUELA,
zetelend in Caracas, Venezuela,
in eerste aanleg eiseressen in conventie, verweersters in reconventie,
thans appellanten in principaal hoger beroep,
geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,
gemachtigde: mr. H.W. Braam,
tegen
[GEÏNTIMEERDE],
wonende in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
thans geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
gemachtigden: mrs. G.B. Steward en P.Ch.M. Tweeboom.
Partijen worden hierna BIV, de staat Venezuela en [geïntimeerde] genoemd.
BIV en de staat Venezuela worden gezamenlijk BIV c.s. genoemd.

1.De zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft als
gerente generalen later als
liquidadorgewerkt voor het filiaal van de Venezolaanse bank BIV in Curaçao.
In dit geding hebben BIV en de staat Venezuela vorderingen tegen [geïntimeerde] ingesteld die in hoger beroep niet meer van belang zijn. Alleen de reconventionele vordering van [geïntimeerde] is nog van belang. [geïntimeerde] vordert betaling van achterstallig loon en een bonus. Het Gerecht heeft het loon toegewezen en de bonus afgewezen. Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] zijn eis vermeerderd in verband met Curaçaose belastingschulden van (het filiaal van) BIV.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 29 juli 2024 ingekomen akte van appel zijn BIV c.s. in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 17 juni 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, ECLI:NL:OGEAC:2024:167.
2.2
Bij op 9 september 2024 ingekomen memorie van grieven, met een productie, hebben BIV c.s. drie grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in beide instanties.
2.3
Bij op 8 november 2024 ingekomen memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties, heeft [geïntimeerde] de grieven van BIV c.s. bestreden, incidenteel hoger beroep ingesteld en het incidenteel hoger beroep toegelicht. Tevens heeft hij zijn eis vermeerderd. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis gedeeltelijk zal vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, zijn vermeerderde eis zal toewijzen, met veroordeling van BIV c.s. in de proceskosten, met nakosten.
2.4
Bij op 10 januari 2025 ingekomen memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep hebben BIV c.s. het incidenteel hoger beroep bestreden. Hun conclusie strekt tot afwijzing van het incidenteel hoger beroep, met veroordeling van [geïntimeerde], uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten.
2.5
Op 6 mei 2025 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.
2.6
Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3.De beoordeling

Feiten
3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.1
BIV exploiteerde een Venezolaans bankbedrijf. In 1973 heeft BIV een filiaal in Curaçao geopend. In 1999 heeft het filiaal van BIV (aangeduid als:
Banco Industrial de Venezuela, C.A. (Sucursal Curaçao)en als
Banco Industrial de Venezuela, C.A. (Curaçao branch); hierna: BIVC) een bankvergunning verkregen van de Centrale Bank van de Nederlandse Antillen (rechtsvoorganger van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten; hierna worden beide de Centrale Bank genoemd).
3.1.2
In 2011 is [geïntimeerde] bij BIVC gaan werken. Een op 3 augustus 2011 voor goedkeuring door de bestuursvoorzitter van BIV ondertekend geschrift vermeldt dat [geïntimeerde] wordt aangesteld als
gerentemet een loon van NAf 12.000. Verder vermeldt het geschrift onder meer:
Cabe destacar que adicionalmente los mencionados ciudadanos percibirán los beneficios laborales siguientes:
- (…)
- Bono Vacacional: Un (1) mes de salario.
- Utilidades: Dos (2) meses de salario (pagados en el mes de Junio y el otro mes con el salario del mes de Noviembre).
- (…)
Volgens een door [geïntimeerde] overgelegde beëdigde vertaling:
Genoemde personen zullen daarnaast de volgende arbeidsvoordelen ontvangen:
- (…)
- Vakantietoeslag: Een (1) maand salaris.
- Winstuitkering: Twee (2) maanden salaris (één maand betaald in juni en één maand samen met het salaris van november).
- (…)
3.1.3
Bij brief van 18 november 2015 heeft het management van BIVC aan de Centrale Bank bericht dat de raad van bestuur van BIV had besloten de activiteiten in Curaçao te beëindigen. Bij brief van 31 december 2015 heeft de Centrale Bank in antwoord op die brief een document getiteld
Procedures and guidelines with respect to a voluntary liquidation of a credit institution being a branchtoegezonden aan het management van BIVC.
3.1.4
Volgens een ongedateerd en niet ondertekend geschrift (productie 1 bij inleidend verzoekschrift) heeft BIV [geïntimeerde] aangesteld als
liquidador(vereffenaar) van BIVC ter uitvoering van een besluit van de raad van bestuur van BIV van 21 juni 2016.
3.1.5
BIV en [geïntimeerde] hebben op 1 februari 2017 een overeenkomst gesloten, getiteld
Services Agreement(hierna: de services agreement). Met verwijzing naar een overeenkomst van 12 september 2016 zijn in de services agreement taken van [geïntimeerde] als
liquidatoromschreven. Kort gezegd diende [geïntimeerde] volgens de services agreement:
- de activa van BIVC te gelde te maken,
- de schulden van BIVC te betalen, en
- de rechtsverhouding van BIVC met derden af te wikkelen.
3.1.6
Bij brief van 21 januari 2019 heeft [geïntimeerde], met ondertekening als
general manager/liquidatorvan BIVC, een plan van uitkering aan de Centrale Bank voorgelegd ter goedkeuring. Bij brief van 18 februari 2019 heeft de Centrale Bank [geïntimeerde] laten weten geen bezwaar te hebben tegen het plan van uitkering.
3.1.7
BIV of BIVC had of heeft een pand aan de [adres], Willemstad, Curaçao in eigendom (hierna: het pand). In het pand was het filiaal gehuisvest. [geïntimeerde] was voornemens het pand te verkopen. Bij brief van 22 maart 2019 van [procurador], met ondertekening als
procurador especial de la República Bolivariana de Venezuela, werd [geïntimeerde] verboden om enige betaling te doen of bezitting over te dragen aan
la Junta Liquidadora(de vereffeningscommissie) van BIV. Volgens deze brief diende dit verbod ter bescherming van de buitenlandse bezittingen van de staat Venezuela en vielen de bezittingen van BIVC onder het bewind van de regering van Venezuela onder leiding van president [president]. Bij brief van 29 maart 2019 kreeg [geïntimeerde] hieraan tegengestelde instructies van [presidenta],
presidenta de la Junta Liquidadoravan BIV. Naar aanleiding van deze brieven heeft [geïntimeerde] ervan afgezien het pand te verkopen.
3.1.8
Op 9 april 2019 stond BIVC ingeschreven in het handelsregister van Curaçao als ‘nevenvestiging met hoofdvestiging buiten Curaçao’, met [geïntimeerde] in de functie van ‘beheerder’ met als titelomschrijving
general.
3.1.9
Bij brief van 26 oktober 2020 heeft de Centrale Bank de bankvergunning van BIVC ingetrokken.
3.1.10
BIV of BIVC hield in Curaçao een bankrekening aan bij Banco di Caribe. [geïntimeerde] was samen met een ander tekenbevoegd voor die bankrekening. De tekenbevoegdheid van de andere persoon is ingetrokken. Bij brief van 23 december 2022 heeft de presidenta de la Junta Liquidadora van BIV aan Banco di Caribe bericht dat zij later zou laten weten wie voortaan tekenbevoegd op de bankrekening zou zijn. Vervolgens heeft Banco di Caribe de bankrekening geblokkeerd.
3.1.11
In de periode tot en met december 2022 zijn maandelijks betalingen aan [geïntimeerde] gedaan. Hiervan zijn specificaties opgesteld. Hierop staat de functie van [geïntimeerde] omschreven als
gerente generalen staat een bruto maandsalaris vermeld van NAf 13.440. Er staan ook onder meer inhoudingen van loonbelasting en premies op. Als nettoloon staan bedragen van tussen de NAf 9.000 en NAf 10.000 vermeld. Ook zijn loonbelastingkaarten (met aanduiding
gerente general) en loonstaten 2011-2018 met betrekking tot [geïntimeerde] opgesteld.
Vanaf januari 2023 zijn geen maandelijkse betalingen meer aan [geïntimeerde] verricht.
3.1.12
Als bijlage 1 bij een brief van 28 juli 2023 aan mr. Braam heeft [geïntimeerde] een overzicht gestuurd van kosten die BIVC volgens hem nog moest betalen. Daarop staan ook betalingen van nettoloon aan [geïntimeerde] van NAf 9.820,43 over de maanden januari tot en met juli 2023 (en afdrachten van loonbelasting en sociale premies). Bij brief van 13 november 2023 hebben mrs. Steward en Tweeboom namens [geïntimeerde] bericht BIV aansprakelijk te stellen voor de schade als gevolg van het uitblijven van het loon van [geïntimeerde].
3.1.13
Een overzicht van de Ontvanger van Curaçao van 16 januari 2024 vermeldt een totaal openstaand bedrag aan belastingschulden van BIV van NAf 367.769,28.
3.1.14
Bij verzoekschrift van 24 januari 2024 (ingediend na de conclusie van repliek en vóór de conclusie van dupliek in deze zaak) is BIV een kort geding begonnen tegen [geïntimeerde] (zaaknummer CUR202400193). Daarin vorderde zij afgifte van de sleutels van het pand. Het kort geding is op 12 maart 2024 mondeling behandeld. Bij die gelegenheid hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin hebben zij ook afspraken gemaakt over een deel van hetgeen in deze bodemprocedure over en weer werd gevorderd. Art. 4 van Pro de vaststellingsovereenkomst luidt:
De bank bevestigt dat [geïntimeerde] niet aansprakelijk is voor vertraging in betalingen (onder meer van facturen en aanslagen) die is toe te schrijven aan de blokkering door de bank van de rekeningen van de bank bij Banco di Caribe en vrijwaart [geïntimeerde] voor eventuele aanspraken ter zake.
3.1.15
In september of oktober 2024 heeft [geïntimeerde] geconstateerd dat alle belastingschulden van BIV waren opgenomen op de aanslagenlijst van de Ontvanger die op naam van hem persoonlijk staat. Op de aanslagenlijst betreffende [geïntimeerde] van 8 oktober 2024 staan 92 aanslagen en een openstaand bedrag van in totaal NAf 696.410,70.
3.1.16
Bij brief van 18 oktober 2024 hebben mrs. Steward en Tweeboom namens [geïntimeerde] BIV aansprakelijk gesteld voor alle schade als gevolg van de omstandigheid dat de belastingdienst [geïntimeerde] persoonlijk aansprakelijk houdt voor de belastingschulden van BIV.
Vorderingen
3.2
De vordering van BIV c.s. (in conventie) is in dit hoger beroep niet meer van belang.
3.3 [
[geïntimeerde] heeft een reconventionele eis ingesteld. Bij akte van 8 april 2024 heeft [geïntimeerde] zijn eis verminderd, vermeerderd en gewijzigd, zodat deze kwam te luiden, verkort weergegeven:
primair: betaling van loon of vergoeding van NAf 13.440 bruto per maand vanaf 1 januari 2023 tot en met 22 maart 2024, met bonus, vertragingsrente en wettelijke rente;
subsidiair: betaling van een billijke vergoeding over de periode vanaf 1 januari 2023 tot en met 22 maart 2024, met wettelijke rente.
Beslissing van het Gerecht
3.4
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de primaire loonvordering toegewezen, de gevorderde bonus afgewezen, de vertragingsvergoeding toegewezen met matiging tot 10% en de wettelijke rente toegewezen.
3.5
Deze beslissingen zijn gebaseerd op de volgende overwegingen, verkort weergegeven. Tussen BIV en [geïntimeerde] was een arbeidsovereenkomst van kracht (2.6). De staking van de loonbetalingen eind 2022 houdt geen opzegging in (2.8). [geïntimeerde] kan aanspraak maken op het overeengekomen loon (2.9). De vertragingsvergoeding dient te worden gematigd tot 10% (2.10). [geïntimeerde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde bonus onvoldoende onderbouwd (2.10).
Eisvermeerdering in hoger beroep
3.6 [
[geïntimeerde] heeft zijn eis in hoger beroep vermeerderd. Hij vordert, verkort weergegeven, dat het Hof de toewijzingen in stand laat, zijn vorderingen ter zake van de bonus en de vertragingsvergoeding alsnog geheel toewijst, en daarnaast, verkort weergegeven:
a. voor recht verklaart dat BIV aansprakelijk is voor de belastingaanslagen die de belastingdienst aan BIV en aan [geïntimeerde] heeft opgelegd of doorbelast;
b. BIV veroordeelt tot schadevergoeding, op te maken bij staat, met wettelijke rente.
Beoordeling door het Hof
Arbeidsovereenkomst
3.7
BIVC is een filiaal en geen zelfstandige rechtspersoon. Niet is gesteld of gebleken dat zij eigen statuten heeft. Aangenomen moet daarom worden dat zij geen statutair bestuurder heeft en ook nooit heeft gehad. [geïntimeerde] kan dus geen statutair bestuurder van BIVC zijn geweest. Zo stond hij ook niet in het handelsregister vermeld. Niet is gesteld of gebleken dat hij statutair bestuurder van BIV was.
3.8
De vraag wanneer een overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van het
Deliveroo-arrest (HR 23 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443, zie ook HR 21 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:319, rov. 3.1). Voor zover BIC c.s. hebben willen aanvoeren dat de rechtsverhouding die BIV in 2011 met [geïntimeerde] is aangegaan, niet als arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt, hebben zij dat standpunt onvoldoende feitelijk onderbouwd. Zij hebben (afgezien van hun hiervóór verworpen standpunt dat [geïntimeerde] statutair bestuurder was) niet gesteld dat er in 2011 geen gezagsverhouding tot stand is gekomen en zijn ook niet ingegaan op de overige gezichtspunten die van belang zijn voor de kwalificatie van de rechtsverhouding als arbeidsovereenkomst.
3.9
De rechtsverhouding die BIV in 2011 met [geïntimeerde] is aangegaan, dient dus te worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Niet is gesteld of gebleken dat deze arbeidsovereenkomst wordt beheerst door Venezolaans (of ander buitenlands) recht. Het Hof gaat daarom ervan uit dat de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht van Curaçao. Dat past ook bij de hoofdregel van conflictenrecht dat de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] zijn arbeid elders verrichtte dan in Curaçao.
3.1
Voor de beoordeling van de vraag of [geïntimeerde] recht heeft op het gevorderde loon, is niet zozeer van belang of de services agreement dient te worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, maar of bij de totstandkoming van de overeenkomsten in 2016 en 2017 waarbij [geïntimeerde] als liquidador werd benoemd, naast die overeenkomsten een arbeidsovereenkomst is blijven voortbestaan.
3.11
In beginsel kan een beëindiging van een overeenkomst met wederzijds goedvinden besloten liggen in een nadere overeenkomst. Ook een arbeidsovereenkomst kan met wederzijds goedvinden worden beëindigd. De vraag of bij de totstandkoming van de overeenkomsten in 2016 en 2017 de arbeidsovereenkomst uit 2011 met wederzijds goedvinden is beëindigd, dient daarom aan de hand van de Haviltex-maatstaf te worden beoordeeld. Hierbij geldt dat aan de werknemer in zoverre bescherming toekomt dat niet snel kan worden aangenomen dat in een nadere overeenkomst besloten ligt dat een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. In beginsel is een verklaring of gedraging van de zijde van de werknemer nodig die duidelijk en ondubbelzinnig gericht is op beëindiging van de arbeidsovereenkomst (zie GHvJ 29 april 2008, ECLI:NL:OGHNAA:2008:BD8948, rov. 2.2).
3.12
Nergens in de services agreement of in de eerdere overeenkomst van aanstelling tot
liquidadorstaat uitdrukkelijk vermeld dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Art. 4 van Pro de services agreement is getiteld
“Special bonus with no effect on wages”en vermeldt dat BIV een bonus betaalt
“in addition to his current pay as General Manager”.Op grond daarvan mocht [geïntimeerde] redelijkerwijs begrijpen dat de arbeidsovereenkomst niet werd beëindigd bij de aanstelling als
liquidador. BIV moest het redelijkerwijs ook zo begrijpen. De arbeidsovereenkomst is dus niet in 2016 of 2017 beëindigd.
3.13
Ook bij de blokkering van de bankrekening eind 2022/begin 2023 is de arbeidsovereenkomst niet beëindigd. BIV c.s. hebben voor het geval aangenomen moet worden dat toen een arbeidsovereenkomst bestond, ook niet verdedigd dat een rechtsgeldige beëindiging van een arbeidsovereenkomst besloten ligt in de omstandigheid dat [geïntimeerde] geen maandelijkse betalingen meer ontving. Zij hebben dat wel betoogd voor het geval dat aangenomen moet worden dat toen slechts een overeenkomst van opdracht bestond. Blijkens voorgaande overwegingen doet dat geval zich niet voor.
3.14
Het Gerecht heeft onder 2.9 van het bestreden vonnis overwogen:
Het gerecht ziet in de Service Agreement noch in de omstandigheden van het geval voldoende aanknopingspunten voor de stelling van BIV dat [geïntimeerde] in redelijkheid geen aanspraak kan maken op het overeengekomen loon. [geïntimeerde] had en hield de functie en daarmee de verantwoordelijkheid van vereffenaar, had als zodanig contact met de Centrale Bank over de vereffening en voldeed (tot de blokkering door BIV van de rekening) de betalingsverplichtingen van BIV. Niet is weersproken dat hij zich voorts bezighield met onder meer belastingaangelegenheden en met het beheer van het pand aan de Handelskade (zie de opsomming in productie 25). Bovendien is door BIV niet weersproken dat de loonverplichtingen van BIV waren opgenomen in het overzicht opgesteld door de extern auditeur en dat dit overzicht naar BIV is verzonden en door haar zonder protest is behouden.
Het Hof verenigt zich met deze overweging. Bij de toelichting op de grieven 2 en 3 hebben BIV c.s. gesteld dat [geïntimeerde] na 1 januari 2023 geen werkzaamheden meer heeft verricht ten behoeve van BIV, maar dat is een onvoldoende gemotiveerde stelling in het licht van deze overweging van het Gerecht.
3.15
De loonvordering is dus terecht toegewezen. Het hoger beroep van BIV c.s. faalt.
Vertragingsvergoeding
3.16
Het Hof verenigt zich met de beslissing van het Gerecht om de vertragingsvergoeding te matigen tot 10%. Dat komt het Hof met het oog op de omstandigheden in deze zaak billijk voor. [geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep het Hof verzocht om de vergoeding niet te matigen, maar daar geen argumenten voor aangedragen.
Bonus
3.17
Blijkens de toelichting die [geïntimeerde] bij memorie van antwoord heeft gegeven, is de bonus gebaseerd op de in 2011 toegekende rechten op vakantietoeslag en winstuitkering.
3.18
In de akte van 8 april 2024 heeft [geïntimeerde] onder 2.5 aangevoerd dat hij NAf 201.600 aan loon en NAf 53.760 aan bonus vordert. Uit de als productie 6 bij die akte overgelegde specificatie blijkt dat het bedrag van NAf 53.760 is berekend als vier maandsalarissen van NAf 13.440 over een periode van 15 maanden. Dit komt niet geheel overeen met de vakantietoeslag en winstuitkering van drie maandsalarissen per jaar; een berekening pro rata over een periode van 15 maanden komt uit op:
NAf 13.440 x 3 maandsalarissen x 15 maanden /12 maanden per jaar = NAf 50.400.
3.19
In hoger beroep heeft [geïntimeerde] deze aanspraak voldoende toegelicht. Het zijn bij de arbeidsovereenkomst in 2011 bedongen looncomponenten. Tegenover deze toelichting heeft BIV de aanspraak onvoldoende gemotiveerd betwist. Het Hof zal alsnog bovenstaand bedrag toewijzen. In zoverre slaagt het hoger beroep.
3.2
Het beroep van BIV c.s. bij pleidooi in hoger beroep op de klachtplicht van [geïntimeerde] is tardief en faalt reeds op die grond. Bovendien is in dit geval de verplichting tot loonbetaling niet gebrekkig verricht, maar in het geheel niet verricht, zodat [geïntimeerde] geen klachtplicht had. Verder blijkt uit het feitenoverzicht dat [geïntimeerde] wel herhaaldelijk aanspraak heeft gemaakt op betaling van loon. Aangezien de rechten op vakantietoeslag en winstuitkering looncomponenten zijn, heeft hij daarmee in voldoende mate geklaagd, ook wat de vakantietoeslag en winstuitkering betreft, mede gelet op de aard en inhoud van de rechtsverhouding en de aard en inhoud van de prestatie (vergelijk: HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1737, rov. 3.4.1).
Belastingaanslagen
3.21 [
[geïntimeerde] heeft gesteld dat BIV sinds 22 maart 2024 geen enkele handeling meer heeft verricht om de vereffening af te wikkelen en ook geen actie heeft ondernomen om de openstaande facturen en belastingschulden te betalen. Hij heeft betoogd dat [geïntimeerde] daardoor op onrechtmatige wijze wordt benadeeld.
3.22
BIV is niet zonder meer jegens [geïntimeerde] gehouden om de vereffening van BIVC af te wikkelen en haar openstaande facturen (van anderen dan [geïntimeerde]) en belastingschulden (in Curaçao of elders) te betalen. Dit levert dus op zichzelf geen voldoende grondslag voor onrechtmatigheid jegens [geïntimeerde] op.
3.23
De werkgever is verplicht zich als een goed werkgever te gedragen. Deze verplichting heeft in zoverre nawerking dat er ook zorgvuldigheidsnormen van een werkgever jegens zijn ex-werknemers uit voortvloeien. Uit dien hoofde dient een werkgever in beginsel te voorkomen dat een ex-werknemer zonder goede grond opdraait voor de belastingschulden van de werkgever. In dit geval heeft [geïntimeerde] echter onvoldoende gesteld om aan te nemen dat BIV erop bedacht was of behoorde te zijn dat de belastingdienst van Curaçao de belastingschulden van BIV op de aanslagenlijst ten name van [geïntimeerde] zou zetten. De enkele omstandigheid dat dit is gebeurd, levert daarom geen onrechtmatige daad van BIV jegens [geïntimeerde] op.
3.24
Indien dreigt dat de belastingdienst de belastingschulden van de werkgever zal verhalen op een ex-werknemer, is de werkgever wel gehouden zich behoorlijk in te spannen om dat te voorkomen en de daarbij redelijkerwijs gemoeide kosten te dragen. De vorderingen van [geïntimeerde] zijn echter onvoldoende specifiek hierop gericht. De petita zijn te algemeen geformuleerd. [geïntimeerde] heeft wel gesteld dat hij kosten heeft moeten maken om een fiscalist in te schakelen om hem bij te staan in “de kwestie”, maar hij heeft niet gesteld wat de fiscalist heeft gedaan, noch vermeld welke kosten de fiscalist in rekening heeft gebracht, noch vermeld waarom dat niet mogelijk zou zijn.
3.25
De gevorderde verklaring voor recht en de vordering tot schadevergoeding, op te maken bij staat, zullen daarom worden afgewezen.
Slotsom
3.26
Het principaal hoger beroep van BIV c.s. faalt. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt gedeeltelijk. Voor de duidelijkheid zal het Hof het bestreden vonnis vernietigen en nieuwe dicta uitspreken. BIV zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in principaal hoger beroep. De proceskosten in incidenteel hoger beroep zullen worden gecompenseerd. Ook de proceskosten in eerste aanleg zullen worden gecompenseerd.
3.27
Na de vaststellingsovereenkomst van 12 maart 2024 waren er in eerste aanleg geen vorderingen van of tegen de staat Venezuela meer aan de orde, behalve dat [geïntimeerde] een proceskostenveroordeling ten laste van de staat Venezuela is blijven vorderen. Het eindvonnis van het Gerecht bevat geen veroordeling van de staat Venezuela en geen afwijzing van enige vordering van de staat Venezuela. In hoger beroep waren er ook geen vorderingen van of tegen de staat Venezuela aan de orde. Het Hof ziet hierin aanleiding geen proceskostenveroordeling ten gunste of ten laste van de staat Venezuela uit te spreken.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt BIV om aan [geïntimeerde] te betalen: Cg 13.400 bruto per maand, gerekend over de periode 1 januari 2023 tot en met 22 maart 2024, en Cg 50.400 aan vakantietoeslag en winstuitkering, te vermeerderen met 10% vertragingsvergoeding en de wettelijke rente vanaf de dagen van de contractuele verschuldigdheid tot aan de dag van de voldoening;
veroordeelt BIV in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] c.s. gevallen en tot op heden begroot op Cg 402,89 aan verschotten en Cg 8.750,00 aan salaris voor de gemachtigde;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in incidenteel hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, G.C.C. Lewin en J.A. van Voorthuizen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 27 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.