ECLI:NL:OGHACMB:2025:315

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
CUR2025H00003
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verkoop van aandelen na conservatoir beslag in een geschil tussen ex-echtgenoten

In deze zaak gaat het om een geschil tussen ex-echtgenoten, waarbij de man door een Engelse rechter is veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan de vrouw in het kader van de afwikkeling van hun huwelijk. Na erkenning van deze Engelse beslissing door het Gerecht in Curaçao, heeft de vrouw conservatoir beslag gelegd op de aandelen van een vennootschap, Tidewell, waarvan de man minderheidsaandeelhouder is. De vrouw verzoekt om verlof om deze aandelen te verkopen. Het Gerecht heeft bepaald dat de vrouw met ingang van 1 januari 2026 kan overgaan tot openbare verkoop van de aandelen. De man heeft in hoger beroep aangedrongen op een onderhandse verkoop, maar het Hof bevestigt de beschikking van het Gerecht. De procedure omvatte een mondelinge behandeling waarbij beide partijen vertegenwoordigd waren door hun gemachtigden. De man heeft grieven aangevoerd tegen de beschikking, maar het Hof oordeelt dat de verzoeken van de vrouw terecht zijn toegewezen. De man wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2025
Registratienummers: CUR202403058- CUR2025H00003
Uitspraak: 2 december 2025
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
B E S C H I K K I N G op grond van artikel 474g Rv
in de zaak van:
[de man],
wonend in [woonplaats],
appellant,
hierna: de man,
gemachtigden: mrs. L.F.F.M. Drissen en S.N.J. Putter,
tegen

1. [de vrouw],

wonend in het [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna: de vrouw,
gemachtigden: mrs. S.H. Barten, A.M. van Spaandonk en V.M. van Erpers Roijaards,
2.de naamloze vennootschap
TIDEWELL CORPORATION N.V.,
hierna: Tidewell,
3.de besloten vennootschap
DUCAT SLS B.V.,
hierna: Ducat,
4.de besloten vennootschap
INTERTRUST (CURAÇAO) B.V.,
hierna: Intertrust,
alle gevestigd in Curaçao,
geïntimeerden,
gemachtigden: mrs. R.F. van den Heuvel en N.R.V. Soeltaansingh,
met als belanghebbende partij:
deurwaarder
[de deurwaarder],
kantoorhoudend in Curaçao,
hierna: de deurwaarder.

1.Samenvatting

Dit betreft een geschil tussen ex-echtgenoten, waarbij de man door de Engelse rechter is veroordeeld tot betaling aan de vrouw van hetgeen haar in het kader van de afwikkeling van het huwelijk toekomt. Na erkenning van de Engelse beslissing door het Gerecht in Curaçao, bevestigd door dit Hof, heeft de vrouw beslag gelegd op de aandelen van een Curaçaose vennootschap, waarvan de man minderheidsaandeelhouder is. Zij vraagt verlof om die aandelen te verkopen.
Het Gerecht heeft bepaald dat de vrouw met ingang van 1 januari 2026 kan overgaan tot openbare verkoop van de aandelen. In dit hoger beroep heeft de man aangedrongen op onderhandse verkoop. Het Hof bevestigt de beschikking van het Gerecht.

2.Het verloop van de procedure

2.1
Bij op 3 januari 2025 ingekomen beroepschrift is de man in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gewezen en op 13 december 2024 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht). Op 24 januari 2025 heeft de man bij aanvullend beroepschrift (met producties) grieven tegen de beschikking aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking zal vernietigen en de verzoeken van de vrouw alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de vrouw – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in beide instanties, met nakosten en rente.
2.2
Bij verweerschrift in hoger beroep, met producties, heeft de vrouw de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de bestreden beschikking zal bevestigen, met veroordeling van de man – uitvoerbaar bij voorraad – in de proceskosten in hoger beroep, met nakosten en rente.
2.3
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft op 14 oktober 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn namens de man voornoemde gemachtigden. Namens de vrouw waren mrs. Barten en Van Spaandonk aanwezig, terwijl mr. Van Erpers Roijaards via videoverbinding namens de vrouw aan de zitting heeft deelgenomen. Namens Tidewell, Ducat en Intertrust is mr. Soeltaansingh verschenen. Tevens was de deurwaarder aanwezig. De gemachtigden van de man en de vrouw hebben spreekaantekeningen gehanteerd, die tot de processtukken behoren.
2.4
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de man op 7 oktober 2025 bij akte producties overgelegd (genummerd 7 tot en met 16). De vrouw heeft op 13 oktober 2025 productie 29 ingediend. Tijdens de zitting heeft ieder van partijen bezwaar gemaakt tegen indiening van de producties door de wederpartij. Het Hof heeft die bezwaren verworpen en de stukken toegelaten.
2.5
Beschikking is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw waren met elkaar getrouwd. Bij onherroepelijke beslissing van 12 oktober 2016 van de High Court of Justice van Engeland en Wales is de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van GBP 64,8 miljoen (hierna: de Engelse beslissing).
3.2
Na uitblijven van voldoening door de man aan de Engelse beslissing en ter verzekering van verhaal van haar vordering, heeft de vrouw na daartoe van het Gerecht verkregen verlof op 15 november 2021 conservatoir beslag laten leggen op de aandelen van de man in Tidewell.
3.3
Tidewell is een Curaçaose offshore company, waarvan de man minderheidsaandeelhouder is. Van 4 maart 2010 tot 8 december 2023 was Intertrust enig bestuurder van Tidewell. Sinds 16 juli 2024 is Ducat bestuurder van Tidewell. In de tussenliggende periode stond er geen bestuurder van Tidewell ingeschreven in het handelsregister en was er ook geen kantooradres bekend.
3.4
Tidewell houdt aandelen in een aantal deelnemingen, onder meer in Companhia Agricola da Apostiça C.A.A (Apostiça) en in Sotéis Sociedade Internacional de Turismo S.A (Sotéis). Sotéis heeft een onroerende zaak in Lissabon, Portugal in eigendom, bestaande uit een perceel grondwaarop zich een hotel bevindt(het Marriott Hotel). Apostiça is eigenaar van percelen grond van 3.700 hectare in Sesimbra, Portugal.
3.5
Bij vonnis van 31 oktober 2022 (ECLI:NL:OGEAC:2022:373) heeft het Gerecht beslist dat de Engelse beslissing in Curaçao voor erkenning in aanmerking komt en is de man veroordeeld tot betaling van GBP 61.559.339. Dit vonnis is op 8 oktober 2024 door dit Hof bevestigd (ECLI:NL:OGHACMB:2024:215). Tegen het vonnis van het Hof heeft de man cassatieberoep ingesteld. Op 19 september 2025 heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad een conclusie genomen (ECLI:NL:PHR:2025:1014). De Hoge Raad heeft nog geen uitspraak gedaan.
3.6
De vrouw heeft het vonnis van het Gerecht van 31 oktober 2022 betekend, op 6 augustus 2024 aan de man en op 7 augustus 2024 aan Tidewell.

4.De procedure bij het Gerecht

4.1
De vrouw heeft (samengevat) verzocht dat het Gerecht bepaalt:
a. dat de beslagen aandelen worden verkocht via een onderhandse dan wel een openbare verkoop binnen een termijn van een jaar, met bepaling van de voorwaarden waaronder die verkoop moet plaatsvinden en met aanwijzing van een veilend deurwaarder;
b. dat een eventuele statutaire blokkeringsregeling bij Tidewell terzijde wordt gesteld;
c. dat Tidewell en de man hun medewerking moeten verlenen aan de verkoop van de aandelen, op straffe van een dwangsom;
d. dat de man, Tidewell, Intertrust en Ducat binnen een bepaalde termijn bepaalde gegevens en informatie moeten verstrekken, benodigd voor waardering, verkoop en overdracht van de aandelen, op straffe van een dwangsom;
e. dat de man zal worden veroordeeld in de kosten van de verkoop en in de proceskosten.
4.2
Het Gerecht heeft bij de bestreden beschikking bepaald dat de vrouw met ingang van 1 januari 2026 kan overgaan tot openbare verkoop van de aandelen door de deurwaarder, met een door de deurwaarder vast te stellen inzetprijs en door hem te bepalen voorwaarden, waarbij die verkoop uiterlijk moet plaatsvinden op 31 december 2027. De vorderingen b, c en d zijn ook toegewezen. Het Gerecht heeft voorts bepaald dat de man alle kosten van een openbare verkoop moet betalen en de proceskosten van de vrouw. De vrouw moet een tegemoetkoming in de kosten van de verkoop van NAf 1.500 betalen aan zowel Tidewell als Intertrust en moet hun proceskosten en die van Ducat dragen.

5.De beoordeling

wat ligt voor in hoger beroep
5.1
Alleen de man is in hoger beroep gekomen tegen de bestreden beschikking. De tegen Tidewell en haar (voormalige) bestuurders toegewezen verzoeken liggen dus niet voor in hoger beroep. De gemachtigde van deze geïntimeerden heeft bij de mondelinge behandeling of overigens in hoger beroep ook geen verweer meer gevoerd tegen die verzoeken en geen grieven aangevoerd tegen de toewijzing daarvan.
5.2
De man heeft een aantal beroepsgronden aangevoerd, die de volgende onderwerpen betreffen:
(1) formele vereisten te stellen aan het beslag;
(2) formele vereisten te stellen aan het verzoek en aan de oproeping voor de mondelinge behandeling;
(3) onderhandse in plaats van openbare verkoop;
(4) de aan de verkoop te stellen voorwaarden, wie deze moet vaststellen en of de aangewezen deurwaarder geschikt is als veilend deurwaarder;
(5) de opgelegde verplichtingen tot medewerking en informatieverschaffing en de oplegging van een dwangsom;
(6) de veroordeling van de man in de kosten van de verkoop.
het beslag is geldig (beroepsgrond 1)
5.3
De man heeft in de procedure bij het Gerecht aangevoerd dat het beslag nietig moet worden verklaard, omdat niet aan een aantal formele vereisten is voldaan. In hoger beroep heeft hij zich beperkt tot het verweer dat de vrouw het Gerecht niet heeft verzocht om publicatie in een door het Gerecht aangewezen dagblad, maar zelf tot publicatie is overgegaan.
5.4
Vast staat dat betekening van het beslag heeft plaatsgevonden op de wijze zoals bepaald in artikel 5 lid 7 Rv (openbare betekening, omdat de man geen woon- of verblijfplaats in Curaçao heeft). Publicatie van het beslagexploot heeft op 16 november 2021 plaatsgevonden in de Extra (een hier te lande verschijnend dagblad) en op 19 november 2021 in de Landscourant. Dit blijkt uit door de man overgelegde producties. Het enkele feit dat de vrouw zelf heeft gekozen voor publicatie in de Extra in plaats van af te wachten of het Gerecht dit bepaalt leidt, gelet op artikel 93 Rv, niet tot nietigheid van het beslag. De man is door dit verzuim niet in zijn verdediging benadeeld en heeft dus geen belang om zich hierop te beroepen. Hetzelfde geldt voor het verzuim dat de naam van de gemachtigde van de man niet is vermeld in de publicatie.
het verzoek en de oproeping voldoen aan de formele vereisten (beroepsgrond 2)
5.5
In deze zaak is in 2016 een Engelse beslissing gegeven, waarna op 15 november 2021 conservatoir beslag is gelegd op de aandelen van de in Curaçao gevestigde vennootschap Tidewell. Om de Engelse beslissing te kunnen executeren in Curaçao was erkenning van die beslissing nodig (in de zin van artikel 431 lid 2 Rv) en die is gegeven bij het vonnis van het Gerecht van 31 oktober 2022. Dit vonnis vormt de titel van de executie in deze zaak.
5.6
Artikel 474g lid 1 Rv gaat uit van een andere gang van zaken, te weten dat er een executoriaal beslag op aandelen wordt gelegd, waarna binnen een maand na dat beslag het verzoek tot verkoop moet worden ingediend. Uit dit artikel volgt niet, zoals de man betoogt, dat de vrouw binnen een maand na 15 november 2021 (de datum waarop conservatoir beslag is gelegd) een verzoek tot verkoop van de aandelen van Tidewell had moeten indienen. Dat was immers op dat moment zinledig omdat er eerst een titel voor executie in Curaçao moest worden verkregen. Nadat die titel was verkregen bij het vonnis van 31 oktober 2022 diende om executie van dat vonnis mogelijk te maken betekening plaats te vinden (artikel 704 lid 1 Rv). Vast staat dat het vonnis is betekend aan de man (op 6 augustus 2024) en aan Tidewell (op 7 augustus 2024) en dat het verzoek tot verkoop van de aandelen vervolgens is ingediend op 9 augustus 2024. Uit artikel 715 lid 3 Rv volgt dat het op artikel 474g Rv gebaseerde verzoek tijdig is ingediend. Dit verweer van de man gaat dus niet op.
5.7
Hetzelfde geldt voor zijn verweer dat de vrouw de statuten van Tidewell niet heeft ingebracht. De vrouw heeft in de procedure bij het Gerecht de statuten van Tidewell van 31 augustus 1981 overgelegd (als productie 23). De man heeft erop gewezen dat de statuten op 15 juni 1984 zijn gewijzigd. De vrouw heeft een notariële akte overgelegd (als productie 22) waaruit die wijzigingen blijken. De gemachtigde van Tidewell heeft op de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd dat er geen versie van de statuten bestaat waarin die wijzigingen zijn verwerkt in een doorlopende tekst. Gelet op het voorgaande is in het kader van deze procedure voldoende duidelijk wat de inhoud van de statuten is.
5.8
De man heeft in de procedure bij het Gerecht ten slotte nog aangevoerd dat behalve de man ook de andere aandeelhouders van Tidewell als belanghebbenden hadden moeten worden opgeroepen. Tidewell is een vennootschap waarin sinds de oprichting in 1984 alleen familieleden en nauwe zakenrelaties van de man of hun erven deelnemen in het aandelenkapitaal en het is volgens de man niet de bedoeling dat onbekenden gaan deelnemen. De medeaandeelhouders behoren te worden opgeroepen om te inventariseren (in het kader van maximalisatie van de verkoopopbrengst) of zij misschien gezamenlijk alle aandelen willen verkopen aan derden.
5.9
Het Gerecht heeft overwogen (in 4.10) dat het op de weg van de man ligt om zijn medeaandeelhouders bij de verkoop te betrekken, als dit bevorderlijk is voor de opbrengst. In hoger beroep heeft de man zijn stelling herhaald dat de andere aandeelhouders opgeroepen hadden moeten worden, maar heeft daaraan toegevoegd dat hij daarbij alleen nog belang heeft als de behandeling van het verzoek daardoor geen vertraging oploopt (omdat het Gerecht heeft bepaald dat vanaf 1 januari 2026 tot openbare verkoop mag worden overgegaan).
5.1
Het hoger beroep is door de man ingesteld op 3 januari 2025. Daarop heeft het Hof een zitting bepaald op 1 juli 2025, die op verzoek van de man is uitgesteld tot 14 oktober 2025. Gelet hierop had de man ruim de tijd het Hof te verzoeken zijn medeaandeelhouders als belanghebbenden op te roepen. Nu de man dit niet heeft gedaan en tegelijkertijd heeft aangedrongen op het doen van een uitspraak voor het einde van het jaar (zonder vertraging door oproeping van de overige aandeelhouders) gaat het Hof ervan uit dat hij dit verzoek niet langer wenst te handhaven en dat hij niet is benadeeld doordat de medeaandeelhouders niet zijn opgeroepen.
5.11
Slotsom is dat het verzoek en de oproeping in hoger beroep voldoen aan de daaraan te stellen formele vereisten, althans dat er geen gebreken zijn die aan toewijzing van het verzoek in de weg staan.
uitgangspunten bij de verkoop van aandelen in het algemeen
5.12
De taak van de rechter (in hoger beroep: het Hof) bij een verzoek tot verkoop van aandelen van een vennootschap is het vaststellen van de wijze waarop en de termijn waarbinnen die verkoop moet plaatsvinden. De wetgever heeft de rechter de vrije hand gelaten om in ieder individueel geval te bepalen op welke manier en onder welke voorwaarden dit moet gebeuren. Uitgangspunt daarbij is het binnen een redelijke termijn verzekeren van een maximale verkoopopbrengst in een efficiënte procedure, met inachtneming van de statutaire voorschriften, zoveel als mogelijk is.
achtergronden van dit geval
5.13
Dit betreft een geschil tussen ex-echtgenoten, waarbij de man door de Engelse rechter in 2016 is veroordeeld tot betaling aan de vrouw van hetgeen haar in het kader van de afwikkeling van het huwelijk toekomt. Tot op heden (ruim 9 jaar later) voldoet de man niet aan deze betalingsverplichting en is verhaal (behalve door verkoop van de aandelen van Tidewell) volgens de vrouw niet goed mogelijk.
5.14
De man heeft erkend (in het aanvullend beroepschrift in 2.8) dat hij niet vrijwillig zal overgaan tot betaling. Vast staat dat de man beschikt over een substantieel percentage van de aandelen van Tidewell (volgens de vrouw 21%, de man heeft dit in feite niet betwist). De vrouw heeft dus belang bij executie door verkoop van de aandelen van Tidewell en haar verzoek is daarom in beginsel toewijsbaar. De man heeft ook dat niet betwist. In hoger beroep verzet hij zich in de kern slechts tegen executie door middel van openbare verkoop, omdat dit volgens hem niet leidt tot een maximale opbrengst en dus niet de geëigende wijze van verkoop is van aandelen in een holding die indirect vermogensbestanddelen van honderden miljoenen euro’s bezit.
onderhandse of openbare verkoop (beroepsgrond 3)
5.15
Het kan zo zijn, zoals de man betoogt, dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap in het algemeen tot een hogere verkoopopbrengst leidt en ook dat onderhandse verkoop van aandelen in een vennootschap als Tidewell (met familieleden en langdurige zakenpartners van de man als aandeelhouders) in het algemeen te verkiezen is boven een openbare verkoop. Een efficiënte onderhandse verkoop van de aandelen van een vennootschap als deze (met substantiële vermogensbestanddelen in een ander land) is zonder constructief overleg tussen de beslaglegger en de beslagen vennootschap echter niet goed mogelijk. Uit de verklaringen van de gemachtigden ter zitting in hoger beroep is gebleken dat dit overleg tot nu toe niet of nauwelijks heeft plaatsgevonden, ondanks het feit dat het Gerecht partijen daarvoor ruim een jaar de tijd heeft gegeven. De man laadt de verdenking op zich dat zijn gebrek aan medewerking aan dit overleg voortvloeit uit zijn onwil om tot betaling over te gaan.
5.16
Weliswaar heeft de man tijdens de zitting in hoger beroep aangevoerd dat hij in overleg is getreden met de overige aandeelhouders in Tidewell en dat Tidewell bereid zou zijn de Apostiça-landpercelen te verkopen en apart daarvan ook de aandelen in Sotéis. Dit betreft echter verkoop van de onderliggende vermogensbestanddelen van Tidewell en niet de verkoop van de aandelen van deze vennootschap. Die verkoop van vermogensbestanddelen zou uiteindelijk kunnen leiden tot het uitkeren van dividend aan de aandeelhouders, waaronder de man. Een efficiënte manier om binnen redelijke termijn verhaal te krijgen voor de vordering van de vrouw is het niet. Evenmin is in voldoende mate te verwachten dat de opbrengst bij die aanpak veel hoger zal zijn dan bij een openbare verkoop, aangezien ook na openbare verkoop de vermogensbestanddelen te gelde gemaakt kunnen worden en er uitkering van dividend kan volgen. Daarvoor is constructief overleg nodig, maar dat geldt evenzeer voor de door de man bepleite aanpak.
5.17
Dit betekent dat ook het Hof bij deze stand van zaken van oordeel is dat het betoog van de man niet in de weg staat aan een openbare verkoop van de aandelen.
voorwaarden voor de openbare verkoop en aanwijzing deurwaarder (beroepsgrond 4)
5.18
Zoals hiervoor overwogen heeft de rechter de vrijheid om in ieder individueel geval te bepalen op welke manier en onder welke voorwaarden de verkoop moet plaatsvinden. Het Gerecht heeft de randvoorwaarden opgesteld en de termijn waarbinnen een openbare verkoop moet plaatsvinden. Het Hof verenigt zich daarmee. Niet in te zien valt dat artikel 474g Rv in dit geval meer dan dat vereist. De door de man geschetste alternatieve manieren waarop in andere zaken voorwaarden zijn opgesteld (met een uitonderhandelde SPA, een waardering van de aandelen door een deskundige of de benoeming van een notaris om de verkoop te begeleiden) zijn natuurlijk opties. De man had daar in het afgelopen jaar het initiatief toe kunnen nemen en kan dit nog steeds doen als hij zich zorgen maakt over maximalisatie van de opbrengst.
5.19
De man heeft voorts nog aangevoerd dat de deurwaarder die door het Gerecht is aangewezen ongeschikt zou zijn om het verkoopproces te begeleiden, maar motiveert zijn bezwaren onvoldoende. De deurwaarder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard bereid en in staat te zijn de aan hem opgelegde taak te vervullen. Het Hof ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen.
medewerkingsverplichting, informatieverschaffing en dwangsom (beroepsgrond 5)
5.2
De man heeft zich verzet tegen de verplichting die het Gerecht hem heeft opgelegd om volledige medewerking aan het executietraject te verlenen, omdat deze verplichting ongespecificeerd is. Gelet op de hiervoor geschetste achtergrond van het geschil en het gebrek aan medewerking van de man tot nu toe is de wijze waarop deze verplichting is geformuleerd echter passend. De verplichting is ook voldoende bepaald. De houding van de man tot nu toe maakt dat het opleggen van een dwangsom om zijn medewerking te verzekeren aangewezen is.
5.21
De man heeft zich voorts verzet tegen de aan hem opgelegde verplichting om informatie te verschaffen omdat dit verzoek op een andere manier zou moeten worden ingeleid en te ongespecificeerd is. Het Hof acht het oordeel van het Gerecht op dit punt juist (in 4.13-4.17) en maakt de motivering daarvan tot de zijne. De man heeft aangevoerd dat hij de correspondentie als bedoeld in het dictum onder 5.9 van de bestreden beschikking al heeft verstrekt aan de deurwaarder; hij heeft dit echter niet onderbouwd. Als dit zo is, dan heeft hij niets te vrezen van deze veroordeling.
executiekosten (beroepsgrond 6)
5.22
Zoals de man erkent dient hij als beslagene de kosten van de executie te dragen, zoals in de bestreden beschikking is overwogen (in 4.22).
geen aanhouding wegens aanhangige cassatieprocedure
5.23
Ter zitting in hoger beroep heeft de man verzocht om de beslissing in deze procedure aan te houden dan wel de executie op te schorten totdat de Hoge Raad zal hebben beslist in de hiervoor in 3.5 genoemde cassatieprocedure. De vrouw heeft zich daartegen verzet. Gelet op de hiervoor geschetste achtergronden van dit geschil en het tijdsverloop sinds de Engelse beslissing in 2016 is verdere vertraging van de executie ongewenst. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding voor aanhouding of opschorting.
slotsom
5.24
Het hoger beroep gaat niet op en de beschikking waarvan beroep dient dus te worden bevestigd. De man zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, vermeerderd met de gevorderde nakosten en wettelijke rente.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
bevestigt de beschikking waarvan beroep;
veroordeelt de man in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op Cg 4.000 aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de nakosten (van Cg 250 zonder betekening en Cg 400 met betekening) en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na deze uitspraak tot aan de dag van de voldoening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. ter Veer, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 2 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.