ECLI:NL:OGHACMB:2025:284

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
AUA2025H00116
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak Gerecht inzake verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 23 april 2025. De minister van Justitie, Integratie en Openbaar Vervoer had eerder het verzoek om internationale bescherming van appellant afgewezen. Appellant had bezwaar gemaakt, maar dit werd ongegrond verklaard. Het Gerecht verklaarde het beroep van appellant gegrond en vernietigde de bestreden beschikking. Appellant stelde hoger beroep in, waarbij hij betoogde dat het Gerecht ten onrechte niet ingegaan was op zijn verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof oordeelde dat het Gerecht inderdaad had nagelaten om op dit verzoek te beslissen. Het Hof stelde vast dat de redelijke termijn met een jaar en vierenhalve maand was overschreden en veroordeelde de minister tot betaling van Afl. 1.500,- aan appellant. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht werd vernietigd voor zover het Gerecht niet had beslist op het verzoek tot schadevergoeding. De minister werd ook veroordeeld tot betaling van proceskosten en het griffierecht werd aan appellant vergoed.

Uitspraak

AUA2025H00116
Datum uitspraak: 26 november 2025
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 23 april 2025 in zaak nr. AUA202401526, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Justitie, Integratie en Openbaar Vervoer (hierna: de minister)

Procesverloop

Bij beschikking van 1 november 2021 heeft de minister het verzoek om internationale bescherming van appellant afgewezen.
Bij beschikking van 28 maart 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: de bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft het Gerecht het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beschikking vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door M.L. Hassell, hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 oktober 2025. De minister werd vertegenwoordigd door mr. S. Orman. Appellant en zijn gemachtigde waren niet aanwezig.

Overwegingen

Omvang van het geding

1. Appellant bestrijdt in hoger beroep twee onderdelen van de uitspraak van het Gerecht. Ten eerste betoogt hij dat het Gerecht in strijd met de uitspraak van het Hof van 15 januari 2025, ECLI:NL:OGHACMB:2025:2, in het dictum heeft bepaald dat hij binnen zes weken na het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar Aruba moet verlaten. Daarnaast betoogt hij dat het Gerecht ten onrechte niet is ingegaan op zijn verzoek om immateriële schadevergoeding op grond van artikel 6 van het EVRM wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Niet uitzetten tot zes weken na de nieuwe beschikking op bezwaar

2. Het betoog van appellant berust op een verkeerde lezing van de aangevallen uitspraak. Het Gerecht heeft in zijn dictum bepaald dat de uitzetting van appellant achterwege blijft tot zes weken na het nemen van een nieuwe beschikking op het bezwaar. Dit betekent dat de minister appellant niet tijdens de nieuwe behandeling van het bezwaar mag uitzetten en, als de minister het bezwaar opnieuw ongegrond verklaart, ook niet voordat de beroepstermijn van zes weken tegen de nieuwe beschikking voorbij is. Daarmee is de uitspraak ook niet in strijd met het bepaalde in de uitspraak van het Hof van 15 januari 2025. Daarin is geoordeeld dat een vreemdeling wiens verzoek om internationale bescherming krachtens artikel 3 van het EVRM is afgewezen, de behandeling van een ingediend bezwaarschrift en beroepschrift mag afwachten in Aruba. Dat uitgangspunt geldt ook als de rechter een beschikking op bezwaar heeft vernietigd en de minister opnieuw moet beslissen. Anders dan appellant betoogt, is het dictum van het Gerecht in lijn met deze uitspraak, omdat daaruit volgt dat appellant tijdens de nieuwe behandeling van het bezwaar niet mag worden uitgezet. Verder was er geen aanleiding voor het Gerecht om te bepalen dat appellant ook een beroep tegen de nieuwe beschikking op bezwaar in Aruba mag afwachten, omdat die situatie zich ten tijde van de uitspraak van het Gerecht nog niet voordeed. Als hij beroep tegen de nieuwe beschikking op bezwaar instelt kan appellant zich opnieuw tot de rechter wenden. Het betoog slaagt niet.

Overschrijding redelijke termijn

3. Appellant betoogt dat het Gerecht ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hij heeft daartoe verzocht in zijn pleitnota, die hij twee dagen voor de behandeling van het beroep ter zitting per e-mail bij het Gerecht heeft ingediend.
Het Hof stelt vast dat appellant inderdaad tijdig om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht en dat het Gerecht ten onrechte niet in zijn uitspraak op dat verzoek is ingegaan. Het Hof zal het verzoek daarom alsnog beoordelen. Daarbij gaat het Hof uit van de situatie zoals die was op het moment dat het Gerecht uitspraak deed.
3.1.
Appellant heeft op 10 december 2021 een bezwaarschrift ingediend (gedagtekend op 8 december 2021) tegen de beschikking van 1 november 2021. Hij heeft op 13 mei 2024 beroep ingesteld tegen de beschikking op bezwaar van 28 maart 2024. Op 23 april 2025 heeft het Gerecht uitspraak gedaan.
De behandeling van het bezwaar en beroep heeft daarmee ruim drie jaar en vierenhalve maanden geduurd. De redelijke termijn is met een jaar en vierenhalve maanden overschreden. Gelet op het tijdsverloop tussen indiening van het bezwaarschrift en de beschikking op bezwaar van 28 maart 2024, komt dat geheel voor rekening van de minister. Het Hof verwijst naar zijn uitspraak van 18 januari 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:64, onder 1.2. Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding gaat het Hof uit van een tarief van Afl. 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De minister wordt daarom veroordeeld tot betaling van een bedrag van Afl. 1.500,- aan appellant.
Conclusie
4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht wordt vernietigd, voor zover het Gerecht heeft nagelaten te beslissen op het verzoek van appellant tot vergoeding van immateriële schade. Doende wat het Gerecht had behoren te doen, veroordeelt het Hof de minister tot betaling van een bedrag van Afl. 1.500,- aan appellant. De minister moet de proceskosten vergoeden tot een bedrag van Afl. 350,- (1 punt voor het indienen van een hogerberoepschrift, met een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
vernietigtde uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 23 april 2025 in zaak nr. AUA202401526, voor zover het Gerecht heeft nagelaten te beslissen op het verzoek tot vergoeding van immateriële schade;
veroordeeltde minister van Justitie, Integratie en Openbaar Vervoer om aan appellant een vergoeding van immateriële schade van Afl. 1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn te betalen;
veroordeeltde minister van Justitie, Integratie en Openbaar Vervoer tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 350,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
gelastdat het Land Aruba aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Buntjer, griffier.
w.g. Van Ettekoven
voorzitter
w.g. Buntjer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025.