Deze zaak betreft een geschil tussen twee families over de eigendom en het beheer van de plantage Gato, een onroerende zaak van bijna 90 hectare, die sinds 1811 in een langdurig onverdeelde boedel verkeert. De plantage is testamentair nagelaten aan vrijgemaakte slaven, waarvan de afstamming en eigendom tussen partijen betwist worden. Diverse eerdere procedures hebben niet geleid tot exclusief eigendom van een van de families.
In kort geding vordert appellant onder meer de verwijdering van borden die de familie geïntimeerde als enige beheerders presenteren, een verbod om zich als eigenaar te presenteren en het plaatsen van correctieve advertenties. Het gerecht in eerste aanleg wees alleen de verwijdering van de borden toe, niet uitvoerbaar bij voorraad, en wees de overige vorderingen af.
Het Hof bevestigt dit vonnis en maakt de verwijdering van de borden uitvoerbaar bij voorraad, omdat deze borden het publiek misleiden over het eigendom van de gehele plantage. Voor het sluiten van individuele verhuurovereenkomsten blijft de patstelling bestaan, waardoor geen van beide families betere rechten kan afdwingen. De kosten worden gecompenseerd en iedere partij draagt haar eigen kosten.