Uitspraak
[geïntimeerde],
[geïntimeerde],
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
In deze zaak is appellant in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba. De kern van het geschil betreft de niet tijdige betaling van het griffierecht, dat uiterlijk zes weken na de beschikking van 5 mei 2015 voldaan diende te zijn. Appellant betaalde het griffierecht pas op 18 juni 2015, twee dagen te laat.
Het Hof overweegt dat in Aruba geen wettelijke hardheidsclausule bestaat die toepassing van art. 270 lid 5 Rv Pro kan buiten toepassing laten, tenzij dit leidt tot een aantasting van het recht op toegang tot de rechter in de kern, zoals beschermd door art. 6 EVRM Pro. Appellant stelde dat griffiemedewerkers een latere uiterste betaaldatum hadden genoemd, maar dit werd niet aannemelijk geacht vanwege gebrek aan schriftelijke bevestiging en tegenstrijdige verklaringen.
Het Hof concludeert dat de te late betaling voor risico van appellant komt en dat de ernst van de gevolgen het recht op toegang tot de appelrechter niet in de kern aantast. Gezien het wettelijke appelverbod in art. 176b lid 2 Rv is het recht op appel bovendien al beperkt. Daarom is het hoger beroep vervallen en wordt appellant veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep is vervallen wegens te late betaling van het griffierecht zonder aantasting van het recht op toegang tot de appelrechter.