ECLI:NL:OGEAM:2024:97

Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten

Datum uitspraak
18 december 2024
Publicatiedatum
24 december 2024
Zaaknummer
BBZ nrs. SXM202400256, SXM202400646 tot en met SXM202400652
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 30 lid 2 Algemene landsverordening landsbelastingenArtikel 31 aanhef en onder a Algemene landsverordening landsbelastingenArtikel 15 lid 1 Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940Artikel 15 lid 2 Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940Artikel 18 lid 4 Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring beroep wegens niet tijdig beslissen op belastingbezwaarschriften en proceskostenveroordeling

Belanghebbende maakte bezwaar tegen (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting, premie AOV/AWW en naheffingsaanslagen en boetes omzetbelasting over de jaren 2018 tot en met 2020. Omdat de Inspecteur niet binnen de wettelijk gestelde termijn uitspraak deed op deze bezwaren, stelde belanghebbende tijdig beroep in tegen het niet tijdig beslissen.

Tijdens de procedure gaf de Inspecteur aan te hebben getracht contact te zoeken met de voormalig gemachtigde van belanghebbende vanwege onnavolgbare bezwaarschriften, maar dat deze niet reageerde, waardoor uitspraak werd uitgesteld. Het Gerecht oordeelde dat het beroep gegrond is en droeg de Inspecteur op alsnog uitspraak te doen, zonder een termijn te stellen, mede omdat de huidige gemachtigde verwachtte tot overeenstemming te komen en aanvullende informatie moest aanleveren.

Verder veroordeelde het Gerecht de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende, waarbij een afwijkende wegingsfactor van 0,25 werd toegepast vanwege de omstandigheden. Ook werd vastgesteld dat belanghebbende ten onrechte te veel griffierecht had betaald, hetgeen moest worden terugbetaald, en dat de Inspecteur het juiste griffierecht moest vergoeden.

De uitspraak werd gedaan door rechter P.A.M. Pijnenburg op 18 december 2024, met de mogelijkheid voor partijen om binnen twee maanden hoger beroep in te stellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie belastingkamer te Sint Maarten.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de belastingbezwaarschriften is gegrond verklaard en de Inspecteur is veroordeeld tot het alsnog doen van uitspraak en het vergoeden van proceskosten.

Uitspraak

Uitspraak van 18 december 2024
BBZ nrs. SXM202400256, SXM202400646 tot en met SXM202400652
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 van:
[Belanghebbende], woonachtig te Sint Maarten,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend te Sint Maarten,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende zijn (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting (IB) en premie AOV/AWW en naheffingsaanslagen en boetes omzetbelasting over de jaren 2018 tot en met 2020 opgelegd.
1.2
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt.
1.3
Belanghebbende heeft op 1 maart 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.
1.4
De Inspecteur heeft op 4 november 2024 een verweerschrift ingediend.
1.5
Belanghebbende heeft op 26 november 2024 in verband met het terugtrekken van haar voormalig gemachtigde en de voorbereiding van de zaken door de door haar nieuw aangewezen gemachtigde verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting op 4 december 2024. Het Gerecht heeft dat verzoek afgewezen en bepaald dat de behandeling doorgang zal vinden in de vorm van een regiezitting.
1.6
De zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2024 te Philipsburg. Namens belanghebbende is verschenen [A], verbonden aan [Q]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [B] en [C].
1.7
De gemachtigde heeft ter zitting een machtiging overgelegd.

2.OVERWEGINGEN

Beroep niet tijdig beslissen

2.1
De bezwaarschriften tegen de (navorderings)aanslagen IB en premie AOV/AWW en naheffingsaanslagen en boetes omzetbelasting over de jaren 2018 tot en met 2020 zijn op de onder 2.3 genoemde data door de Inspecteur ontvangen.
2.2
Ingevolge artikel 30, lid 2 Algemene landsverordening landsbelastingen (ALL) is een uitspraak op een bezwaarschrift niet tijdig gedaan, als de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift een uitspraak heeft gedaan.
2.3
Ingevolge artikel 31, aanhef en onder a, ALL kan binnen twaalf maanden beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op een bezwaarschrift.
Aanslag
Dagtekening ontvangst bezwaar
Uiterlijke beslistermijn bezwaar
Uiterlijke termijn instellen beroep niet tijdig beslissen
IB 2018
9 juni 2022
9 maart 2023
9 maart 2024
IB 2019
9 juni 2022
9 maart 2023
9 maart 2024
IB 2020
28 juli 2022
28 april 2023
28 april 2024
AOV/AWW 2018
9 juni 2022
9 maart 2023
9 maart 2024
AOV/AWW 2019
9 juni 2022
9 maart 2023
9 maart 2024
AOV/AWW 2020
12 juli 2022
12 april 2023
12 april 2024
OB 2018
9 juni 2022
9 maart 2023
9 maart 2024
OB 2019
9 juni 2022
9 maart 2023
9 maart 2024
OB 2020
15 juni 2022
15 maart 2023
15 maart 2024
2.4
Belanghebbende heeft op 1 maart 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren. Dit beroep is tijdig ingesteld.
2.5
De Inspecteur heeft nog immer geen beslissing op de bezwaren genomen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het Gerecht draagt de Inspecteur op alsnog uitspraak te doen op de bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen IB en premie AOV/AWW en naheffingsaanslagen en boetes omzetbelasting over de jaren 2018 tot en met 2020. Daarbij merkt het Gerecht op, zoals ook ter zitting is besproken, dat hoofdstuk VI ALL (verplichtingen ten dienste van de belastingheffing) gedurende de bezwaarfase (weer) van toepassing is. Het Gerecht zal de Inspecteur – zoals ter zitting met partijen is besproken – niet gelasten om binnen een bepaalde termijn uitspraak te doen op de bezwaren. De (huidige) gemachtigde van belanghebbende heeft immers ter zitting aangegeven de verwachting te hebben er gezamenlijk met de Inspecteur uit te zullen komen en daarnaast is de Inspecteur voor het doen van uitspraak afhankelijk van nader door belanghebbende te verstrekken informatie voor wat betreft de bezwaargronden.

3.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

3.1
Het Gerecht vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken.
3.2
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken 1940 (hierna: LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
3.3
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, AB 2013, GT no. 512 (voorheen PB 2001, no. 127) (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
3.4
In artikel 1 van Pro dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand.
3.5
Ter zitting heeft de Inspecteur (onbetwist) verklaard dat naar aanleiding van de bezwaarschriften is getracht om in contact te komen met de voormalig gemachtigde van belanghebbende. Daarbij merkt de Inspecteur op – hetgeen door het Gerecht wordt beaamd – dat sprake is van een onnavolgbaar bezwaar- en beroepschrift. Omdat door de voormalig gemachtigde van belanghebbende niet is gereageerd, is gewacht met het doen van uitspraak op de bezwaren. De Inspecteur stelt zich om die reden op het standpunt dat een proceskostenveroordeling niet op zijn plaats is. Het Gerecht ziet in hetgeen door de Inspecteur is aangevoerd aanleiding om in afwijking van de doorgaans in gevallen van een beroep niet tijdig beslissen toegepaste wegingsfactor 0,5, in het onderhavige geval een wegingsfactor 0,25 toe te passen. De te vergoeden proceskosten kunnen worden berekend op NAf 525 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700 en wegingsfactor 0,25 x 1,5 wegens samenhang).
3.6
Ten aanzien van het griffierecht merkt het Gerecht allereerst op dat voor de behandeling van het beroep door het Gerecht ten onrechte NAf 150 (tarief rechtspersoon) aan griffierecht is geheven, terwijl zij als natuurlijk persoon NAf 100 (twee maal NAf 50) aan griffierecht verschuldigd was. Gelet hierop zal het Gerecht de griffier gelasten om het te veel betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbende terug te betalen.
3.7
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 4 LBB het betaalde griffierecht van NAf 100 aan belanghebbende te vergoeden.

4.DE BESLISSING

Het Gerecht:
- verklaart het beroep niet tijdig beslissen op de bezwaren gegrond;
- draagt de Inspecteur op alsnog uitspraak te doen op de bezwaren tegen de (navorderings)aanslagen IB en premie AOV/AWW en naheffingsaanslagen en boetes omzetbelasting over de jaren 2018 tot en met 2020;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 525;
- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 100 te vergoeden; en
- gelast de griffier het door belanghebbende te veel betaalde griffierecht van NAf 50 aan haar terug te betalen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en is uitgesproken op 18 december 2024, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Frontstreet 58 (The Courthouse)
Philipsburg
Sint Maarten
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van NAf 300 verschuldigd.