Uitspraak
eiseres,
gemachtigde: mr. R.A. GROENEVELDT,
gedaagde,
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
De werknemer was sinds mei 2014 in dienst als serveerster/barbediende bij de werkgever met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Vanaf september 2017 betaalde de werkgever het salaris niet meer uit. De werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd vanwege het ontbreken van geldige verblijfs- en tewerkstellingsvergunningen van de werknemer, en bood een finale betaling aan die de werknemer weigerde.
De werknemer vorderde een verklaring voor recht dat de beëindiging onrechtmatig was en betaling van achterstallig loon. Het Gerecht oordeelde dat geen sprake was van duidelijke en ondubbelzinnige instemming van de werknemer met de beëindiging, mede omdat zij de cheque weigerde en niet akkoord ging met betaling in termijnen. Hierdoor bleef de arbeidsovereenkomst bestaan.
De loonvordering werd toegewezen, maar gematigd tot 50%, vanwege de sluiting van de onderneming na orkaan Irma en het onredelijke karakter van volledige betaling zonder werk. De wettelijke verhogingen werden gemaximeerd op 10%. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het gematigde loon en proceskosten.
Uitkomst: Arbeidsovereenkomst blijft bestaan, loonvordering deels toegewezen en gematigd tot 50%.