AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verwerping beroep tegen naheffingsaanslag winstbelasting wegens ontbreken zakelijke overwegingen bij afsplitsing
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag winstbelasting 2018 en een boete, opgelegd na een juridische afsplitsing gevolgd door verkoop van de onderneming. De afsplitsing vond plaats om de onderneming zonder onroerend goed en pensioenverplichtingen over te dragen aan een derde partij. Het Gerecht oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, maar verwerpt het standpunt dat geen Curaçaose belasting wordt ontgaan.
Het Gerecht stelt vast dat de afsplitsing niet is ingegeven door zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering, maar vooral gericht was op verkoop en beëindiging van de werkzaamheden. Hierdoor geldt het vermoeden dat de afsplitsing gericht is op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Belanghebbende slaagt er niet in dit vermoeden te weerleggen, omdat haar argumenten onvoldoende zijn onderbouwd en betwist worden door de Inspecteur.
De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag ambtshalve verminderd en de boete vernietigd, maar het Gerecht handhaaft de naheffingsaanslag op het gecorrigeerde bedrag. De faciliteit van geruisloze afsplitsing is niet van toepassing. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag winstbelasting 2018 wordt gehandhaafd wegens ontbreken van zakelijke overwegingen bij de afsplitsing.
Uitspraak
Uitspraak van 27 maart 2026
BBZ nr. CUR202403572
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende],gevestigd te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.
1.PROCESVERLOOP
1.1
Aan belanghebbende is met dagtekening 25 april 2023 een naheffingsaanslag winstbelasting voor het jaar 2018 opgelegd, resulterende in een verschuldigde winstbelasting van NAf 1.130.954. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is een boete opgelegd van NAf 282.738.
1.2
Belanghebbende heeft op 17 mei 2023 tegen de aanslagen bezwaar gemaakt.
1.3
In een brief van 21 september 2023 heeft de Inspecteur aangegeven de naheffingsaanslag en de boete te handhaven. Op 30 november 2023 heeft de Inspecteur (kennelijk) uitspraak op bezwaar gedaan. In een later schrijven geeft de Inspecteur aan dat op 20 december 2023 uitspraak op bezwaar is gedaan.
1.4
Belanghebbende heeft haar bezwaar op 15 december 2023 aangevuld.
1.5
De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag winstbelasting ambtshalve verminderd van NAf 1.130.954 naar NAf 948.940 en de boete vernietigd (pleitbaar standpunt). De datum van de verminderingsbeschikking is niet bekend.
1.6
Belanghebbende heeft op 5 februari 2024 een pro forma beroepschrift ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150. Op 25 november 2024 heeft belanghebbende haar beroep nader gemotiveerd.
1.7
De zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2025 te Willemstad. Namens belanghebbende zijn verschenen F. Torres-Larmonie en mr. T. Ferbaan. Namens de Inspecteur is mr. S.V. James en M. Drommond verschenen.
1.8
Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de Inspecteur en het Gerecht.
2.FEITEN
2.1
Belanghebbende is op 10 mei 2007 naar het recht van Curaçao opgericht. Voorheen was belanghebbende actief onder de naam [X] (hierna: [X]).
2.2
Onmiddellijk en enig aandeelhouder is de heer [A], geboren op [geboortedatum] (hierna: [A]). [A] is woonachtig op Aruba.
2.3
Belanghebbende had in 2018 zo’n 24 personen in loondienst.
2.4 [
A] was in 2018 vanwege zijn naderende pensioenleeftijd, op zoek naar een geschikte bedrijfsopvolger aan wie hij de onderneming kon overdragen. [A] is in contact gekomen met [Y] (hierna: [Y]), een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde onderneming die aldaar aan de beurs is genoteerd. [Y] heeft vestigingen in meer dan 90 landen.
2.5 [
Y] heeft besloten de onderneming van belanghebbende te kopen. De overgang van de onderneming van belanghebbende aan [Y] heeft op 4 juli 2018 plaatsgevonden door middel van een juridische (af)splitsing. Daarbij zijn de vermogensbestanddelen, behoudens het onroerend goed, de daaraan gerelateerde (hyotheek)schulden en de pensioenverplichting van [A], van belanghebbende in eerste instantie onder algemene titel overgegaan naar een nieuw opgerichte rechtspersoon, genaamd [Z] (hierna: [Z]). Vervolgens heeft belanghebbende op 6 september 2018 de aandelen [Z] overgedragen aan [Y] voor initieel een maximale verkoopprijs van NAf 5.250.000. Feitelijk is NAf 4.913.602 ontvangen.
2.7
Op 4 juli 2018 is de naam van belanghebbende gewijzigd in [Belanghebbende] Vanaf 6 september 2018 zet [Z] de onderneming voort onder de naam [X].
2.8
In haar aangifte winstbelasting 2018 heeft belanghebbende een bedrag van NAf 5.250.000 aangemerkt als een onbelast voordeel uit deelneming.
2.9
De Inspecteur heeft een boekenonderzoek bij belanghebbende laten instellen en op basis daarvan een naheffingsaanslag opgelegd van NAf 1.130.954 en een boete (25%) van NAf 282.738.
2.1
In een brief van 6 juni 2023 geeft de Inspecteur aan gedeeltelijk tegemoet te komen aan het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de boete. Daarbij is de gecorrigeerde winst van NAf 5.250.000 verminderd naar NAf 4.913.602 (de feitelijk ontvangen verkoopprijs) en met NAf 490.935, zijnde de boekwaarde van de overgegane onderneming, totaal 827.333. Daarnaast is de boete vernietigd.
3.GESCHIL
3.1
In geschil is of de naheffingsaanslag winstbelasting voor het jaar 2018 terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Daarbij is in het bijzonder in geschil of de afsplitsing, zoals weergegeven onder ‘2. Feiten’ geruisloos in de zin van artikel 14C, lid 2, Landsverordening winstbelasting (hierna: LvWB), heeft plaatsgevonden.
3.2
Belanghebbende is van mening dat de afsplitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, dat is voldaan aan de voorwaarden voor een geruisloze afsplitsing en dat de inspecteur derhalve ten onrechte het vervreemdingsvoordeel, behaald met de overgegane vermogensbestanddelen, tot de belastbare winst heeft gerekend. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat geen Curaçaose (winst)belasting wordt ontgaan, maar enkel Arubaanse (inkomsten)belasting en dat reeds daarom een beroep op artikel 14C, lid 5 LvWB, dat enkel ziet op het ontgaan en uitstellen van Curaçaose belasting, niet kan slagen .
3.3
De Inspecteur is van mening dat de afsplitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er (voldoende) zakelijke overwegingen aan de afsplitsing ten grondslag hebben gelegen en dat de Inspecteur de belastbare winst terecht heeft gecorrigeerd met het vervreemdingsvoordeel dat is behaald met de overgegane vermogensbestanddelen.
3.4
De Inspecteur heeft in zijn schrijven van 21 september 2023 het standpunt ingenomen dat het handelen van belanghebbende subsidiair zal worden bestreden met het instrument fraus legis. Dit standpunt heeft de Inspecteur ter zitting laten vallen.
3.5
De Inspecteur heeft wel uitspraak op bezwaar gedaan, maar de Inspecteur kan deze uitspraak niet meer produceren en belanghebbende kan deze niet overleggen, omdat zij deze uitspraak nimmer heeft ontvangen.
Ter zitting hebben partijen verklaard dat er vanuit kan worden gegaan dat als de Inspecteur in het gelijk wordt gesteld het belastbare bedrag dient te worden bepaald op NAf 4.627.322, dat de reeds opgelegde naheffingsaanslag dienovereenkomstig dient te worden verminderd, voor zover dat nog niet is gebeurd, en dat de boete dient te worden vernietigd, voor zover dat nog niet is gebeurd. Indien belanghebbende in het gelijk wordt gesteld dient het gecorrigeerde belastbare bedrag van NAf 4.627.322 te worden verminderd met NAf 4.422.667, dient de reeds opgelegde naheffingsaanslag dienovereenkomstig te worden verminderd en dient de boete te worden verminderd, voor zover dat nog niet is gebeurd.
Voor het vervolg van deze procedure zal er vanuit worden gegaan dat bij uitspraak op bezwaar het belastbare bedrag is bepaald op NAf. 4.627.322 en dat de boete is vernietigd.
4.OVERWEGINGEN
Ontvankelijkheid van het beroep
4.1
In artikel 31, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een door de Inspecteur gedane uitspraak, binnen twee maanden na de dagtekening van de uitspraak een beroepschrift kan indienen bij het Gerecht.
4.2
Niet geheel duidelijk is wanneer door de Inspecteur uitspraak op bezwaar is gedaan. Belanghebbende heeft gesteld dat zij tijdens een telefoongesprek op 5 februari 2024 van de Inspecteur heeft vernomen dat de Inspecteur op 30 november 2023 uitspraak op bezwaar zou hebben gedaan. In zijn brief van 6 juni 2024 stelt de Inspecteur dat uitspraak op bezwaar is gedaan op 20 december 2023.
Het beroepschrift is op 5 februari 2024 ingediend. Dit beroepschrift is tijdig indien op 20 december 2023 uitspraak is gedaan en te laat, dat wil zeggen buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend, indien de uitspraak op bezwaar op 30 november 2023 is gedaan.
Belanghebbende heeft overigens verklaard nimmer een uitspraak op bezwaar te hebben ontvangen (en evenmin een verminderingsbeschikking).
4.3
Ter zitting heeft de Inspecteur aangegeven dat het systeem van de Belastingdienst niet helemaal betrouwbaar is en dat hij geen punt maakt van de ontvankelijkheid. Nu de Inspecteur geen duidelijkheid kan verschaffen zal het Gerecht belanghebbende het voordeel van de twijfel geven en het beroep ontvankelijk verklaren.
Juridisch kader
4.4
Artikel 14C Lv WB bepaalt, voor zover hier van belang,
1. Indien vermogen van een belastingplichtige (de splitsende rechtspersoon) onder algemene titel in het kader van een splitsing overgaat, wordt:
a. indien de splitsende rechtspersoon ophoudt te bestaan, de splitsende rechtspersoon geacht zijn vermogensbestanddelen ten tijde van de splitsing te hebben overgedragen aan de rechtspersonen waarop deze vermogensbestanddelen onder algemene titel overgaan (verkrijgende rechtspersonen) en ten tijde van de splitsing zijn opgehouden uit zijn onderneming in Curaçao belastbare winst te genieten;
b. indien de splitsende rechtspersoon blijft bestaan, de splitsende rechtspersoon geacht de vermogensbestanddelen die in het kader van de splitsing overgaan, ten tijde van de splitsing te hebben overgedragen aan de rechtspersoon of rechtspersonen waarop deze vermogensbestanddelen onder algemene titel overgaan (verkrijgende rechtspersoon, respectievelijk verkrijgende rechtspersonen).
2. De winst behaald als gevolg van het eerste lid wordt niet in aanmerking genomen, mits voor het bepalen van de winst bij de splitsende rechtspersoon en de verkrijgende rechtspersonen hetzelfde belastingregime van toepassing is, noch bij de splitsende rechtspersoon, indien deze ophoudt te bestaan, noch bij de verkrijgende rechtspersoon aanspraak bestaat op verrekening van verliezen op de voet van artikel 10 enPro latere heffing is verzekerd. Indien de winst buiten aanmerking blijft, treedt de verkrijgende rechtspersoon met betrekking tot al hetgeen in het kader van de splitsing is verkregen en bij meerdere verkrijgende rechtspersonen, elk in verhouding tot hetgeen elk van de splitsende rechtspersoon heeft verkregen, in de plaats van de splitsende rechtspersoon.
3., 4. (…)
5. Het tweede lid, (…) is niet van toepassing indien de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. De splitsing wordt, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de werkzaamheden van de splitsende en verkrijgende rechtspersonen. Indien aandelen in de gesplitste rechtspersoon, dan wel in een verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing geheel of ten dele, worden vervreemd aan een lichaam dat niet direct of indirect met de gesplitste rechtspersoon en met de verkrijgende rechtspersoon tot hetzelfde concern behoort, worden zakelijke overwegingen niet aanwezig geacht, tenzij het tegendeel aannemelijk gemaakt.
6., 7., 8 (…)
9. De splitsende rechtspersoon die zekerheid wil hebben omtrent de vraag of de splitsing niet wordt geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing kan voor de splitsing een verzoek indienen bij de Inspecteur, die daarop binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.
10. De gesplitste rechtspersoon of de verkrijgende rechtspersoon die voorafgaande aan een voorgenomen vervreemding van aandelen als bedoeld in het vijfde lid, laatste volzin, zekerheid wil hebben omtrent de vraag of, niettegenstaande de vervreemding, aannemelijk is dat de splitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, kan een verzoek indienen bij de Inspecteur, die daarop binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.
(…).
Inhoudelijk
4.5
Het dossier in deze zaak is (te) beperkt van omvang. Zo ontbreekt bijvoorbeeld de notariële splitsingsakte Ook worden met name door belanghebbende stellingen ingenomen die niet of onvoldoende schriftelijk worden onderbouwd (zie hierna).
Een ander punt dat het Gerecht op voorhand aan de orde wil stellen is dat partijen met hun argumentatie sterk leunen op de in Nederland gewezen jurisprudentie inzake juridische splitsingen. Het Gerecht onderkent dat deze jurisprudentie een belangrijke bron van inspiratie kan zijn, maar wijst erop dat de Nederlandse jurisprudentie in sterke mate mede wordt bepaald door doel en strekking van de Fusierichtlijn, die niet van toepassing is in Curaçao. De regeling die in Curaçao is getroffen betreft een autonome regeling, weliswaar geïnspireerd op en beïnvloed door de Nederlandse regeling, met een eigen parlementaire toelichting, die niet wordt gedomineerd door de Fusierichtlijn.
4.6
Door belanghebbende is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zekerheid vooraf te vragen ten aanzien van de vraag of de splitsing geacht wordt in overwegende mate geacht wordt te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing (artikel 14C, lid 9) en evenmin of de vervreemding van de aandelen in de verkrijgende vennootschap ([Z]) aan een derde ([Y]) binnen de driejaarstermijn door de Inspecteur wordt beschouwd als in overwegende mate gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing (artikel 14C, lid 5 juncto artikel 14C, lid 10 Lv WB). Alhoewel dit natuurlijk een afweging is die belanghebbende zelf dient te maken, beschouwt het Gerecht dit wel als een gemiste kans. Gesteld dat belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld dan had die wetenschap vooraf wellicht van betekenis kunnen zijn bij de onderhandelingen tussen belanghebbende en [Y] voor wat betreft de keuze en de alsdan meest voordelige manier om de activiteiten over te dragen aan [Y].
Mist artikel 14C lid 5 Lv WB reeds toepassing omdat geen Curaçaose belasting wordt ontgaan op uitgesteld?
4.7
Het Gerecht zal als eerste ingaan op het subsidiaire standpunt van belanghebbende, dat kort gezegd erop neerkomt dat geen Curaçaose belasting wordt ontgaan of uitgesteld, zodat artikel 14C, lid 5 Lv WB toepassing mist.
4.8
Naar het oordeel van het Gerecht treft dit door belanghebbende ingenomen standpunt geen doel. Het is immers de bedoeling van belanghebbende (en [Y]) om de onderneming van belanghebbende in afgeslankte vorm, dus zonder het onroerend goed, de daarmee samenhangende schulden en zonder de pensioenverplichting jegens [A], te doen overgaan op [Y]. In plaats van de aandelen in belanghebbende over te dragen aan [Y] is ervoor gekozen om de activa en passiva te doen overgaan op [Y]. Een dergelijke overgang wordt bij wetsfictie in artikel 14C, lid 1, onderdeel b, Lv WB aangemerkt als een overdracht (een vervreemding) van vermogensbestanddelen. Een dergelijke overdracht is in beginsel belast (met winstbelasting), tenzij er sprake is van een te faciliteren juridische (af)splitsing, waarbij voldaan moet worden aan bepaalde wettelijke voorwaarden. Indien in een geval als het onderhavige wordt geoordeeld dat belasting wordt ontgaan of uitgesteld, dan betreft het de Curaçaose (winst)belasting die wordt ontgaan of uitgesteld en niet Arubaanse (inkomsten)belasting.
Is sprake van het in overwegende mate ontgaan of uitstellen van belastingheffing?
4.9
De splitsing wordt geacht in overwegende mate geacht te zijn gericht op het ontgaan en uitstellen van belastingheffing indien de splitsing niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de werkzaamheden van de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen, behoudens tegenbewijs. Ter zake van ‘herstructurering en rationalisering van de werkzaamheden’ is tijdens de parlementaire behandeling (Memorie van toelichting, Statenstukken 2015-2016-093, nr. 3, p. 13 en 14) het volgende, voor zover hier van belang, opgemerkt:
De beoordeling of de fusie of splitsing is ingegeven door zakelijke motieven, en de wijze waarop de fusie of splitsing is vormgegeven, zal plaatsvinden vanuit de positie vanuit de positie van de bij de fusie of splitsing betrokken rechtspersonen. Voor deze rechtspersonen moet de fusie of splitsing op basis van bedrijfseconomische motieven, zoals een duurzame rationalisatie of herstructurering van de activiteiten, zijn ingegeven.
Van bedrijfseconomische motieven is sprake indien de rechtshandeling bij een splitsing in het belang in het belang is van de economische positie van de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen of bij een fusie in het belang van de verdwijnende rechtspersonen en de verkrijgende rechtspersoon.
Onder economische positie wordt niet begrepen de fiscale positie. De fiscale begeleiding die in het wetsvoorstel is neergelegd is uitdrukkelijk niet bedoeld om vormen van belastingbesparing te faciliteren.
De fusie of splitsing moet plaatsvinden op grond van zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van de werkzaamheden. Indien dat niet het geval is, is de faciliteit niet van toepassing, tenzij de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de fusie of splitsing niet gericht is op het ontgaan of uitstellen van belasting. Aandeelhoudersmotieven kunnen daaraan niet bijdragen. Indien de activiteiten van de splitsende rechtspersoon bijvoorbeeld worden gesplitst in beleggingen en ondernemingsactiviteiten, zal de splitsing in zijn algemeen niet worden ingegeven door bedrijfseconomische motieven van de bij de splitsing betrokken rechtspersonen, doch veelal door aandeelhoudersmotieven, zoals het beperken van het aansprakelijk vermogen voor de ondernemingsactiviteiten. Aandeelhoudersmotieven kunnen voorts bijvoorbeeld aanwezig zijn indien de splitsing plaatsvindt met het oog op de verkoop van een gedeelte van de onderneming die door de splitsende rechtspersoon wordt gedreven. Dit kan zowel het gedeelte van de onderneming zijn dat op een verkrijgend lichaam overgaat als, in het geval van een afsplitsing, de onderneming die de splitsende rechtspersoon behoudt.
(…)
Fiscale begeleiding is niet aan de orde in situaties waarin de facto sprake is van een (gedeeltelijke) uitkoop, al dan niet in het kader van een bedrijfsopvolging van één of meer van de aandeelhouders. Dit is bijvoorbeeld het geval bij splitsingen die ertoe leiden dat (een deel van) de aandeelhouders na de splitsing alleen aandelen houdt in een vennootschap met liquide middelen (of eenvoudig verzilverbare) beleggingen.
4.1
In onderdeel 1.2.3 van haar beroepschrift schrijft belanghebbende dat [A] vanwege zijn naderende pensioenleeftijd, reeds enige tijd op zoek was naar een geschikte bedrijfsopvolger aan wie hij de onderneming kon overdragen. Naar het Gerecht begrijpt is tussen partijen niet in geschil dat het uiteindelijke doel van belanghebbende dan ook was de door belanghebbende gedreven onderneming (in afgeslankte vorm) te vervreemden aan een koper. Daarbij dient te worden bedacht dat, vanuit fiscaal perspectief, een dergelijke vervreemding niet goed was voorgesorteerd. [A] hield namelijk de aandelen in belanghebbende rechtstreeks en zou bij verkoop van de aandelen in belanghebbende direct tegen (inkomsten)belastingheffing aanlopen. Bij verkoop van de onderneming door belanghebbende zou belanghebbende direct met winstbelasting worden geconfronteerd.
Uiteindelijk is de onderneming in twee stappen overgegaan op/overgedragen aan een derde ([Y]), te weten via een afsplitsing van de onderneming (in afgeslankte vorm) aan een nieuwe, daartoe opgerichte, vennootschap ([Z]), gevolgd door een verkoop door belanghebbende van die nieuw opgerichte vennootschap aan die derde. Deze gevolgde weg resulteert uiteindelijk, gesteld dat belanghebbende in deze procedure in het gelijk wordt gesteld, in een volledig (onder de deelnemingsvrijstelling) vrijgestelde transactie.
4.11
Behoudens het te leveren tegenbewijs is het Gerecht van oordeel dat het afsplitsen van de onderneming door belanghebbende naar [Z], lees: het verkoop-klaar maken van de te verkopen onderneming, niet kan worden gekwalificeerd als te zijn ingegeven door zakelijke overwegingen, zoals duurzame herstructurering of rationalisering van de werkzaamheden, een en ander bezien vanuit de positie van de bij de splitsing betrokken rechtspersonen, waaronder derhalve belanghebbende. Naar het oordeel van het Gerecht is er vanuit belanghebbende geen sprake van een bedrijfseconomisch motief (dus: geen zakelijke overwegingen), zoals duurzame herstructurering of rationalisering van de werkzaamheden, maar is de hele opzet ingegeven door het beëindigen van de werkzaamheden door belanghebbende. In algemene zin is de splitsingsfaciliteit in het leven geroepen om te voorkomen dat duurzame herstructureringen of rationalisaties niet plaatvinden, omdat deze worden belemmerd door belastingheffing, in het bijzonder in een situatie dat de (af)splitsende rechtspersoon niet over de liquiditeiten daartoe beschikt, omdat deze als tegenprestatie geen ‘cash’ maar aandelen ontvangt en de (af)splitsende rechtspersoon daardoor dus beperkt wordt in haar economische activiteiten. Zoals hiervoor al opgemerkt, van een dergelijke situatie is geen sprake: belanghebbende staakt, met het oog op de leeftijd van de achterliggende aandeelhouder, al haar activiteiten en beschikt nu juist wel over liquiditeiten om de uit de overgang voortvloeiende belastingschuld te voldoen.
Dat [Z] als verkrijgende rechtspersoon wel gebaat zou zijn doet aan het vorenstaande niet af, omdat zowel de Landsverordening als de parlementaire toelichting vereisen dat de zakelijke overwegingen, zoals herstructurering en rationalisatie van de werkzaamheden, zowel de splitsende als verkrijgende rechtspersonen betreffen.
4.12
Het oordeel van het Gerecht dat de splitsing niet is ingegeven door zakelijke overwegingen betekent dat de splitsing geacht wordt in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing (bewijsvermoeden), tenzij belanghebbende het tegendeel aannemelijk maakt (artikel 14C, lid 5 Lv WB). De aanwezigheid van het genoemde bewijsvermoeden maakt dat de bewijslast verschuift naar belanghebbende.
Belanghebbende heeft als tegenbewijs het volgende aangevoerd:
- [ Y] heeft aangegeven alleen de onderneming zonder het onroerend goed over te willen nemen. Belanghebbende had verschillende opties voor het afzonderen van het onroerend goed, maar omdat de bank niet zou meewerken aan de overdracht van het onroerend goed naar een andere (nieuw op te richten) vennootschap is ervoor gekozen om de onderneming af te splitsen en het pand achter te laten in belanghebbende.
- een activa-/passiva transactie van belanghebbende naar [Y] was niet mogelijk, omdat dan de klanten daarvoor hun instemming zouden moeten geven, hetgeen ertoe had kunnen leiden dat contracten heronderhandeld zouden moeten worden. Dit kon door een juridische splitsing worden voorkomen, omdat de contracten dan van rechtswege onder algemene titel zouden overgaan. In dit verband is verder aangevoerd dat [A] na de overname in de onderneming zou blijven werken, zodat de targets zouden worden behaald en de maximale verkoopprijs zou kunnen worden gerealiseerd.
- dat als ten tijde van de transactie al vaststaat dat de aandelen in de verkrijgende rechtspersoon zullen worden verkocht, dit nog niet hoeft te betekenen dat de splitsingsfaciliteit niet kan worden toegepast. Belanghebbende verwijst in dit verband naar het Bulkgasarrest, ECLI:NL:HR:2006:AY8201 en het Tankstations-arrest, ECLI:NL:HR:2019:1297.
4.13
De Inspecteur heeft in reactie op het door belanghebbende aangevoerde tegenbewijs gereageerd in diens schrijven van 6 juni 2024. De strekking van diens betoog is dat het handelen van belanghebbende is ingegeven door aandeelhoudersmotieven. Daarnaast voert de Inspecteur aan dat belanghebbende slechts stelt, maar niet aannemelijk maakt, dat [Y] het onroerend goed en de daarmee samenhangende schulden niet wilde overnemen, dat de bank niet zou willen meewerken aan het afzonderen van het onroerend goed naar een andere (nieuw op te richten) vennootschap en dat een activa-/passivatransactie commercieel niet haalbaar was. Volgens de Inspecteur is de splitsing in overwegende mate ingegeven door fiscale redenen, namelijk het ontgaan en uitstellen van belastingheffing.
4.14
Naar het oordeel van het Gerecht is belanghebbende er niet in geslaagd om het in 4.12 vermelde (eerste) bewijsvermoeden te ontzenuwen, zoals hierna zal worden toegelicht.
4.14.1
Belanghebbende stelt dat [Y] alleen de onderneming in afgeslankte vorm zou willen overnemen, en niet ook het onroerend goed en de daarmee samenhangende schulden, maar dat [Y] het pand wel wilde huren.
De Inspecteur heeft dit betwist (Brief 6 juni 2024, p. 3 van 5, onderdeel 2: “Niet blijkt dat de koper de onroerende zaak en de daarmee verbonden schulden niet wilde overnemen en slechts wilde huren”.). Belanghebbende heeft vervolgens haar standpunt ter zake niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld door correspondentie met betrekking tot onderhandelingen te overleggen.
Daarbij komt dat het enkele feit dat [Y] het onroerend goed en de daarmee samenhangende schulden niet zou willen overnemen, nog niet betekent dat alleen de door belanghebbende gekozen (af)splitsing tot de mogelijkheden behoorde. Belanghebbende had ook het onroerend goed en de daarmee samenhangende schulden bijvoorbeeld kunnen overdragen naar privé, kunnen afsplitsen, of de aandelen in belanghebbende kunnen vervreemden en het onroerend goed, alsmede de samenhangende schulden daarna van belanghebbende kunnen terugkopen.
4.14.2
Dat de bank niet zou willen meewerken aan de overdracht van het onroerend goed naar een andere (nieuw op te richten) vennootschap, is eveneens door de Inspecteur betwist (Brief 6 juni 2024, onderdeel 4: “Nimmer bewijst en/of maakt belanghebbende deze stelling aannemelijk”).
Het Gerecht acht het door belanghebbende gestelde overigens ook niet geloofwaardig. Waarom zou de bank wel willen meewerken aan het afzonderen van het pand aan belanghebbende en niet als het pand door belanghebbende in privé of door een andere door belanghebbende gehouden vennootschap zou worden gehouden? Wellicht dat de bank om extra zekerheden zou vragen, maar waarom zou belanghebbende die wel willen geven als het pand in belanghebbende achterblijft en niet als belanghebbende het pand in privé bezit of middels een andere vennootschap?
Ook op zitting heeft belanghebbende de positie van de bank niet nader kunnen verhelderen. Belanghebbende heeft slechts verklaard “dat de bank niet zomaar akkoord zou gaan” en dat om de tafel gaan met de bank “veel tijd [had] gekost”.
4.14.3
Dat een activa-/passivatransactie commercieel niet haalbaar zou zijn, omdat contracten heronderhandeld zouden moeten worden, hetgeen gepaard zou gaan met de nodige kosten, is ook door de Inspecteur betwist. De Inspecteur schrijft in zijn brief van 6 juni 2024 ter zake [1] :
Voorts blijkt niet dat een activa en passiva transactie door commerciële overwegingen niet haalbaar was. Belanghebbende stelt dat bij de activa en passiva transactie waarbij cliënten hun instemming moeten geven met de contractovername in veel gevallen zou hebben geleid tot heronderhandelingen van contracten. Maar dit blijkt nergens uit. Gezien de aard van de onderneming van belanghebbende is de vraag hoe groot zo’n risico tot heronderhandeling zou zijn geweest. Nimmer blijkt om hoeveel cliënten, contracten (inclusief inhoud daarvan), bedragen het gaat die de situatie zou hebben bemoeilijkt.
Ter zitting zijn belanghebbende vragen gesteld over de aard en omvang van de onderneming van belanghebbende om zodoende enig inzicht te verwerven over de mogelijke commerciële haalbaarheid van een activa-/passivatransacties en om een inschatting te kunnen maken van de eventueel te lopen (financiële) risico’s van zo’n transactie. Belanghebbende moest het antwoord met betrekking tot vragen over de relatieve grootte van belanghebbendes onderneming ten opzichte van andere ondernemingen, de aard en omvang van de klanten en het aantal over te dragen contracten schuldig blijven.
4.14.4
Het beeld dat ontstaat is dat belanghebbende wel argumenten aandraagt die zouden kunnen duiden op zakelijke overwegingen, maar die bij betwisting daarvan door de Inspecteur door belanghebbende niet of althans onvoldoende (kunnen) worden onderbouwd.
4.14.5
Ook de verwijzing naar het Bulkgasarrest en het Tankstations-arrest treft geen doel. Belanghebbende merkt terecht op dat het enkele feit dat ten tijde van de transactie al vaststaat dat de aandelen in de verkrijgende rechtspersoon zullen worden verkocht, nog niet betekent dat de splitsingsfaciliteit per definitie niet van toepassing is. Maar ook het omgekeerde is niet waar: als een casus overeenkomsten vertoont met het Bulkgasarrest en het Tankstations-arrest, wil dat nog niet zeggen dat de (af)splitsing berust op overwegend zakelijke overwegingen. In het Bulkgasarrest en het Tankstations-arrest is uiteindelijk geoordeeld dat de splitsing was ingegeven door bedrijfseconomische motieven, zoals herstructurering en rationalisatie van de werkzaamheden van de splitsende en verkrijgende rechtspersonen. De rechtsvraag die in beide gevallen aan de Hoge Raad werd voorgelegd was of belanghebbende was geslaagd in het leveren van tegenbewijs nadat de aandelen in de afgesplitste rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing waren vervreemd (het zogeheten tweede bewijsvermoeden).
Anders dan in het Bulkgasarrest en het Tankstations-arrest gaat het in de onderhavige zaak niet om het door belanghebbende te weerleggen tweede bewijsvermoeden, maar om het weerleggen van het eerste bewijsvermoeden (dat de splitsing in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing). Zoals hiervoor opgemerkt was in cassatie zowel in het Bulkgasarrest als in het Tankstations-arrest al niet meer in geschil dat de splitsing in overwegende mate was ingegeven door commerciële motieven.
Het grote verschil tussen het Bulkgasarrest en het Tankstations-arrest enerzijds en de onderhavige zaak anderzijds is dat het Gerecht in de onderhavige zaak niet is overtuigd van de zakelijkheid van de afsplitsing (oordeelt dat sprake is van een splitsing die in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing) en voorts dat belanghebbende niet slaagt in het door haar te leveren tegenbewijs. Anders dan in het Bulkgasarrest en het Tankstations-arrest vindt bij belanghebbende geen herstructurering en rationalisatie van de werkzaamheden plaats, maar is de afsplitsing en de daaropvolgende vervreemding gericht op het beëindigen van de werkzaamheden. Wellicht zijn er overeenkomsten, zoals bijvoorbeeld dat bij de afsplitsing in het Bulkgasarrest ook contracten zijn overgegaan (maar liefst 26.000!), maar dat maakt, zoals hiervoor ook al opgemerkt, nog niet dat belanghebbende reeds om die reden slaagt in haar tegenbewijs.
4.15
Resumerend komt het Gerecht tot het oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de afsplitsing niet heeft plaatsgevonden op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisatie van de werkzaamheden, dat daarmee sprake is van een splitsing die in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing (eerste bewijsvermoeden) en dat belanghebbende dit vermoeden niet heeft weten te ontzenuwen (het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt). Aan het tweede bewijsvermoeden dat, als gevolg van vervreemding van de aandelen in belanghebbende binnen drie jaar na de splitsing, zakelijke overwegingen niet aanwezig worden geacht, behoudens tegenbewijs, wordt niet toegekomen.
Slotsom
4.16
De slotsom is dat het beroep ongegrond is.
Daarbij gaat het Gerecht er vanuit dat de bij uitspraak op bezwaar het belastbare bedrag is bepaald op NAf. 4.627.322 en dat de boete toen is vernietigd. Zie ook 3.5.
5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.
6.DE BESLISSING
Het Gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 27 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier mr. N.N. Noël-van der Biezen Bsc .
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500