ECLI:NL:OGEAC:2026:3

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
CUR202500891
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van beroep inzake aanslag inkomstenbelasting 2018 en procesbelang

In deze zaak heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 12 januari 2026 uitspraak gedaan over het beroep van een belanghebbende tegen een aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2018. De belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de aanslag, maar het Gerecht oordeelde dat het procesbelang ontbrak. De aanslag was op 26 augustus 2022 opgelegd, en de belanghebbende had op 19 april 2023 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslag op 8 september 2023 ambtshalve verminderd, wat leidde tot een vernietiging van de opgelegde boete. De belanghebbende heeft op 17 maart 2025 beroep ingesteld, maar het Gerecht oordeelde dat hij niet-ontvankelijk was in zijn beroep omdat hij niet tijdig bezwaar had gemaakt tegen de andere aanslagen voor het jaar 2018. Het Gerecht concludeerde dat de belanghebbende, ondanks zijn argumenten over procesbelang, niet in een betere positie kon komen door het aanwenden van het rechtsmiddel. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige indiening van bezwaar en beroep en de noodzaak om afzonderlijk bezwaar te maken tegen verschillende aanslagen. De kosten van het beroep werden niet vergoed.

Uitspraak

Uitspraak van 12 januari 2026
BBZ nr. CUR202500891
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende],wonende te Curaçao,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende is op 26 augustus 2022 een aanslag inkomstenbelasting (IB) voor het jaar 2018 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 27.115 en een verschuldigde belasting van NAf 969 (de aanslag).
1.2
Belanghebbende heeft op 19 april 2023 tegen de aanslag bezwaar gemaakt.
1.3
Op 8 september 2023 vermindert de Inspecteur de aanslag ambtshalve, resulterende in een vermindering van NAf 969. Daarbij wordt tevens de opgelegde boete vernietigd.
1.4
Belanghebbende heeft op 17 maart 2025 beroep ingesteld. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.
1.5
De Inspecteur heeft op 28 oktober 2025 een verweerschrift ingediend. Daarop heeft belanghebbende schriftelijk gereageerd (genoemd Repliek).
1.6
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025 te Willemstad. Namens belanghebbende zijn verschenen, de gemachtigden: [A] en [B]. Namens de Inspecteur is verschenen mr. [C].
1.7
Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan verstrekt aan de wederpartij en het Gerecht.

2.FEITEN

2.1
Belanghebbende heeft op 29 juni 2023 zijn aangifte IB voor het jaar 2018, nihil, ingediend.
2.2
Op 8 september 2023 vermindert de Inspecteur, -ten onrechte- de taxatieve aanslag en boete tot nihil.

3.GESCHIL

3.1
In geschil is of:
I. sprake is van enig procesbelang, en zo ja,
II. belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar en beroep;
III. het belastbaar inkomen tot het juiste bedrag is vastgesteld.
3.2
Voor wat betreft vraag I stelt belanghebbende dat er sprake is van een procesbelang. Er is weliswaar geen inkomstenbelasting verschuldigd en de ter zake daarvan opgelegd boete is weliswaar vernietigd, maar het belastbaar inkomen is gehandhaafd. Omdat het belastbaar inkomen mede de basis vormt voor het premie-inkomen bestaat het procesbelang uit de vooralsnog in stand gebleven verschuldigde premies AOV/AWW, AVBZ en BVZ, aldus belanghebbende.
Voor wat betreft vraag II stelt belanghebbende dat buiten de termijn van twee maanden bezwaar en beroep is gemaakt, maar dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding.
Voor wat betreft vraag III is belanghebbende van mening dat hij voor het jaar 2018 geen inkomen heeft genoten.
3.3
De Inspecteur stelt dat, nadat ambtshalve vermindering heeft plaatsgevonden, een procesbelang ontbreekt, aangezien belanghebbende geen inkomstenbelasting verschuldigd is en de boete ter zake is vernietigd (vraag I), dat belanghebbende wegens termijnoverschrijding (ook) niet ontvankelijk is (vraag II) en dat het belastbaar inkomen (met omkering bewijslast) in redelijkheid is vastgesteld (vraag III).

4.OVERWEGINGEN

4.1
Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Uit proceseconomische overwegingen besluit het Gerecht evenwel om de zaak niet terug te wijzen en de Inspecteur op te dragen alsnog uitspraak op bezwaar te doen. Zie hierna.
4.2
Een beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen (vgl. HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844).
4.3
Nu is komen vast te staan dat het procesbelang voor wat betreft de aanslag inkomstenbelasting 2018, waartegen belanghebbende bezwaar en beroep heeft ingesteld, ontbreekt, oordeelt het Gerecht dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in zijn beroep.
Had belanghebbende mede bezwaar, en vervolgens beroep, willen instellen tegen de aanslagen AOV/AWW, AVBZ en BVZ voor het jaar 2018, dan had hij afzonderlijk bezwaar en beroep tegen deze aanslagen moeten instellen. Dat is, naar het Gerecht heeft begrepen, niet gebeurd.
Vraag I dient dan ook ontkennend te worden beantwoord. Met de ontkennende beantwoording van vraag I behoeven de vragen II en III geen beantwoording meer.
Slotsom
4.4
Het beroep dient niet ontvankelijk te worden verklaard.

5.PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

5.1
Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.

6.DE BESLISSING

Het Gerecht:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 12 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen
.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500