4.3.1.Overwegingen ten aanzien van de feiten in onderzoek Cloud
4.3.1.1.
De moord op [slachtoffer 2]
Het Gerecht gaat – gelet op de opgenomen bewijsmiddelen – van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Op 19 mei 2023 omstreeks 21:20 uur liep [slachtoffer 2] samen met (de latere getuige) [betrokkene 1] richting de woning van [slachtoffer 2] in de wijk Seru Fortuna. In de directe omgeving van zijn woning is [slachtoffer 2] op korte afstand onder vuur genomen en geraakt door een grote hoeveelheid kogels. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [slachtoffer 2], terwijl hij al zwaar gewond moet zijn geweest, nogmaals onder vuur is genomen om, zo begrijpt het Gerecht, zeker te weten dat hij dood zou gaan. Op de plaats delict zijn tenminste 41 hulzen door de forensische opsporing aangetroffen. Uit het medisch onderzoek volgt dat 25 kogelverwondingen in het lichaam van [slachtoffer 2] zaten en dat hij ter plekke aan zijn verwondingen is overleden. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm lijkt deze aanslag sterk op een liquidatie.
Betrouwbaarheid en bruikbaarheid verklaringen ooggetuige [betrokkene 1]
De getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat verdachte – een bekende van hem – een van de schutters was die [slachtoffer 2] heeft doodgeschoten. De verdediging heeft de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van de ooggetuige [betrokkene 1] betwist. De verdediging heeft daartoe het nodige aangevoegd, welke punten hieronder – indien nodig – zullen worden besproken.
Het Gerecht stelt voorop dat het bewijs dat verdachte (een van) de schutter(s) is geweest in belangrijke mate berust op de verklaringen van [betrokkene 1]. Het Gerecht ziet – anders dan de verdediging – geen redenen om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [betrokkene 1], ook niet nu hij in de verschillende door hem afgelegde verklaringen op detailniveau soms wat afwijkend heeft verklaard.
Allereerst volgt uit de verklaringen van de moeder en vriendin van [slachtoffer 2] dat [betrokkene 1] daadwerkelijk ter plaatse was op het moment dat [slachtoffer 2] werd doodgeschoten. Dat maakt dat de aanwezigheid van [betrokkene 1] als ooggetuige ten tijde van de moord vaststaat. Dat betekent niet automatisch dat zijn verklaringen ook betrouwbaar zijn, maar betekent wel dat hij feitelijk waargenomen kan hebben wie de dader was of daders waren.
De verklaringen van [betrokkene 1] zijn in de kern en op essentiële punten consistent. De rode draad in zijn verklaringen is dat verdachte de (hoofd)schutter was. Ook vinden zijn verklaringen steun in andere bewijsmiddelen en in de overige inhoud van het dossier. Zo verklaart [betrokkene 1] over ‘schutters’ en ‘zij’ (meervoud) en dat veel schoten zijn afgevuurd. Verder heeft [betrokkene 1] een situatieschets gemaakt tijdens het politieverhoor van 12 juni 2023 met betrekking tot de aanrijroute van het voertuig met daarin de schutters en van waaruit (deels) de schoten zijn gelost. In deze situatieschets beschrijft [betrokkene 1] ook via welke route hij wegvluchtte en beschrijft hij dat hij tijdens zijn vlucht hoorde dat de kogels vlakbij hem de muur en de poort raakten. Naar het oordeel van Gerecht past deze situatieschets en de door hem beschreven gang van zaken ten tijde van de schietpartij bij de in de bewijsmiddelen opgenomen bevindingen van het forensisch onderzoek van de politie. Allereerst blijkt uit dit onderzoek dat minimaal twee verschillende wapens zijn gebruikt, waaruit afgeleid kan worden dat er minimaal twee personen bij de moord betrokken waren. Verder blijkt uit forensisch onderzoek dat inderdaad een enorme hoeveelheid kogels zijn afgevuurd (41 hulzen zijn teruggevonden) en verder volgt uit het forensisch onderzoek dat er zowel in de muur als in de nabij gelegen poort kogels zijn ingeslagen, wat overeenkomt met hetgeen [betrokkene 1] heeft beschreven over zijn vlucht en het moment waarop op hem werd geschoten. Verder biedt het door [betrokkene 1] beschreven schampschot aan zijn schouder steun aan zijn verklaring dat er op hem geschoten werd. Over dat schampschot acht het Gerecht het van belang op te merken dat het voor de hand had gelegen dat hij hierover in zijn eerste verklaring had verklaard, maar dat het later hierover verklaren (een week na zijn eerste verhoor), niet maakt dat zijn verklaring ongeloofwaardig is, temeer hij ook een litteken heeft getoond van de verwonding die hij als gevolg van het schampschot heeft opgelopen. Het Gerecht acht dat litteken passend bij de verklaring van [betrokkene 1] over het ontstaan van het letsel.
Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1] wordt verder opgemerkt dat ook de vriendin van [slachtoffer 2], de getuige [getuige 1/benadeelde partij 4], heeft verklaard dat zij na het horen van de schoten een auto op hoge snelheid heeft zien wegrijden, zoals eveneens door [betrokkene 1] is beschreven. Dat [betrokkene 1] en [getuige 1/benadeelde partij 4] een andere (kleur) auto beschrijven, doet daaraan niet af.
Tot slot merkt het Gerecht op dat het dossier geen aanwijzingen bevat voor een door de verdediging naar voren gebracht vermeend conflict tussen [betrokkene 1] en [slachtoffer 2]. Integendeel, uit de verklaringen van de zus, vriendin en moeder van [slachtoffer 2] komt het beeld naar voren dat [slachtoffer 2] en [betrokkene 1] goede vrienden waren en altijd/vaak samen waren. Van concrete aanwijzingen over onenigheid tussen [betrokkene 1] en [slachtoffer 2] is niet gebleken. Dat de broer van [slachtoffer 2] op straat zou hebben gehoord dat [betrokkene 1] en verdachte onder één hoedje zouden spelen en samen de moord zouden hebben beraamd – nog los van dat dit scenario verdachte niet vrijpleit - blijkt nergens uit en valt moeilijk te rijmen met de verklaringen die [betrokkene 1] heeft afgelegd over de rol van verdachte.
Het Gerecht ziet al met al geen aanwijzingen voor het door de verdediging geschetste scenario dat [betrokkene 1] de voor verdachte belastende verklaringen heeft afgelegd en na de moord onder de radar is gebleven, om zodoende zijn eigen vermeende rol bij de moord op [slachtoffer 2] te verhullen. Het Gerecht merkt in dit verband op dat [betrokkene 1] na de moord op [slachtoffer 2] juist contact heeft gehad met de zus van [slachtoffer 2] om zich als getuige van de moord te melden bij de politie. Ook heeft [betrokkene 1] uitgelegd dat hij na de moord op [slachtoffer 2] ondergedoken zat omdat hij doodsbang was dat verdachte ‘de klus’ zou afmaken en heeft [betrokkene 1] aangegeven dat hij daarom in de uren na de schietpartij andere kleren had aangetrokken, zodat verdachte hem minder goed zou kunnen herkennen. Deze uitleg acht het Gerecht begrijpelijk en geloofwaardig. Het Gerecht acht gelet op wat [betrokkene 1] heeft meegemaakt op 19 mei 2023 invoelbaar dat hij, in het kader van zijn eigen veiligheid, zich pas twee weken later heeft gemeld bij de politie als getuige.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat er in het dossier geen aanwijzingen zijn gevonden dat [betrokkene 1] in strijd met de waarheid verdachte heeft aangewezen als de schutter. Gelet op al het voorgaande verwerpt het Gerecht de verweren van de verdediging met betrekking tot de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de verklaringen van [betrokkene 1]. Het Gerecht zal deze verklaringen, voor zover relevant, dan ook betrekken bij de beoordeling van het bewijs.
4.3.1.2.
De notitie op de telefoon van verdachte
Het Gerecht ziet steunbewijs voor de verklaring van [betrokkene 1] en de daaruit voortvloeiende betrokkenheid van verdachte in een op de telefoon van verdachte aangetroffen tekst, inhoudende een notitie van 17 mei 2023. De tekst van die notitie luidt: ‘ga een rondje daarachter maken en kijkt of je [voornaam slachtoffer 2] ziet’ (het Gerecht begrijpt: [slachtoffer 2]). Het Gerecht leidt uit deze tekst af dat verdachte, twee dagen voor de moord op [slachtoffer 2], op zoek was naar [slachtoffer 2]. Verdachte heeft ter zitting over deze notitie verklaard dat hij een paar dagen voor de moord een vuurwapen aan [slachtoffer 2] had uitgeleend. De notitie was volgens verdachte eigenlijk een berichtje dat hij had gestuurd aan ene ‘[betrokkene 2]’ met als doel om aan deze [betrokkene 2] te vragen om [slachtoffer 2] te zoeken en het wapen van [slachtoffer 2] terug te vragen. Deze verklaring acht het Gerecht niet aannemelijk: verdachte heeft immers ook verklaard dat hij [slachtoffer 2] voor het laatst een paar dagen voor de moord heeft gezien, maar toen niet met hem heeft gesproken, hetgeen niet past bij zijn verklaring over het uitlenen van een vuurwapen op/rond datzelfde moment. Verder volgt uit de verklaringen van de familieleden van [slachtoffer 2] dat hij op gespannen voet leefde met verdachte, waardoor het niet logisch is dat [slachtoffer 2] juist aan verdachte een vuurwapen zou vragen. Tot slot heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij ‘enkele weken’ voor de moord een Glock had uitgeleend aan [slachtoffer 2], terwijl hij op zitting ‘enkele dagen’ noemde. Wanneer er ter terechtzitting werd doorgevraagd over het uitlenen van het wapen aan [slachtoffer 2], verklaart verdachte dat hij het wapen terug heeft gekregen via zijn ‘vriend’. Op de vraag waarom hij wel zelf persoonlijk een wapen uitleent aan [slachtoffer 2], maar een vriend nodig heeft om het wapen terug te krijgen, beroept verdachte zich vervolgens op zijn zwijgrecht.
Het Gerecht acht de verklaringen over het uitlenen van een vuurwapen en dat hij daarom op zoek was naar [slachtoffer 2], volstrekt ongeloofwaardig. Naast de wisselende verklaringen acht het Gerecht ongeloofwaardig dat verdachte een paar dagen voor de moord op [slachtoffer 2] een wapen uitleent, maar daar niet met [slachtoffer 2] over heeft gesproken, om vervolgens rond hetzelfde moment iemand anders te moeten vragen om het wapen weer terug te krijgen. De verklaring past ook niet in het beeld dat door vrijwel alle getuigen wordt geschetst, te weten dat [slachtoffer 2] na en vanwege de moord op [slachtoffer 1] in onmin leefde met verdachte en dat zij elkaar op straat niet eens meer groetten. Het ongeloofwaardige verhaal van verdachte en het vervolgens beroepen op zijn zwijgrecht over deze notitie, sterkt het Gerecht in de overtuiging dat verdachte, twee dagen voor de daadwerkelijke moord, al op zoek was naar [slachtoffer 2] om hem van het leven te beroven.
4.3.1.3.
Hetzelfde vuurwapen en modus operandi als in de zaak Bliksem
Uit het munitie(vergelijkend)onderzoek is gebleken dat een deel van de aangetroffen hulzen op de plaats delict van 19 mei 2023 met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn verschoten met een Glock-pistool (minimaal 32 hulzen) en een ander deel met een Beretta-pistool (minimaal 7 hulzen). Verder acht de vuurwapenspecialist het waarschijnlijk dat een volautomatisch vuurwapen is gebruikt. Dat een vuurwapen is gebruikt dat automatisch kon vuren volgt eveneens uit de verklaring van [betrokkene 1] die spreekt over schoten alsof deze uit een machinegeweer kwamen. Het Gerecht leidt uit het verschil in de hoeveelheid aangetroffen hulzen (31 van de Glock en 7 van de Baretta) en de verklaring van [betrokkene 1] af dat de Glock het wapen was dat volautomatisch kon vuren.
Uit het munitie(vergelijkend)onderzoek leidt het Gerecht af dat hetzelfde Glock-pistool ook is gebruikt bij de moord op [slachtoffer 1] (onderzoek Bliksem), waarover hierna in het vonnis zal worden gesproken. Als vastgesteld kan worden dat verdachte de dader was bij de ene moord, kan dat betrokken worden bij het bewijs van de andere moord en vice versa. Zoals hierna zal worden benoemd, ziet het Gerecht ook in de zaak Bliksem voldoende wettig en overtuigend bewijs. Het gebruik van hetzelfde vuurwapen en een gelijke modus operandi bij beide moorden leveren dan ook aanvullend bewijs op ten aanzien van zowel de moord op [slachtoffer 2] als de moord op [slachtoffer 1]. Op dit punt komt het Gerecht later terug bij de beoordeling van de zaak Bliksem.
4.3.1.4.
Alibi verdachte
Verdachte heeft herhaaldelijk verklaard dat hij de moord niet gepleegd kan hebben omdat hij een alibi heeft. Verdachtes vermeende alibi wordt door de bewijsmiddelen reeds weerlegd. Volledigheidshalve merkt het Gerecht op dat zijn alibi ook in strijd is met de overige inhoud van het dossier. Zo verklaart verdachte dat op het moment dat er op de avond van 19 mei 2023 kogelschoten te horen waren, hij domino aan het spelen was met (onder andere) een vriend met de bijnaam [getuige 2]. Echter, uit de getuigenverklaring van [getuige 2] van 18 november 2024 blijkt dat hij, verdachte, niet aanwezig was bij de dominotafel op het moment dat [getuige 2] schoten hoorde. Ook uit audiofragmenten tussen [getuige 2] en verdachte van 20 mei 2023, aangetroffen op de telefoon van verdachte (pagina 266 en 267 van het einddossier Cloud), blijkt naar het oordeel van het Gerecht dat verdachte en [getuige 2] niet op dezelfde plek waren tijdens de moordaanslag. [Getuige 2] stuurt immers - een dag na de moord - een audiobericht naar verdachte met de volgende inhoud:
“Ik was er. Jij hebt me gisteren goed in de maling genomen. De mannen vertelden mij dat jij was gaan baden en toen terugkwam. Je hebt me goed in de maling genomen. Ik ben daar domino blijven spelen totdat de schoten vielen.”Verdachte reageert vervolgens door onder andere te zeggen: “
Net op het moment dat ik zou gaan komen, hoor goed wat ik je vertel, bleef ik die dingen horen (klinken)”.Uit deze audioberichten leidt het Gerecht af dat [getuige 2] op het moment dat de schoten klonken wél bij de dominotafel was en verdachte niet. Uit deze verklaring, maar ook het audiobericht afkomstig van verdachte zelf, leidt het Gerecht af dat verdachte niet de waarheid heeft verklaard over zijn alibi.
4.3.1.5.
Andere dader(s)?
De verdediging heeft betoogd dat [slachtoffer 2] mogelijk problemen had met anderen dan verdachte en dat hij daarom kan zijn vermoord. Het Gerecht is van oordeel dat een dergelijk scenario – anders dan speculaties – niet concreet naar voren komt uit het dossier en dat een dergelijk scenario onverenigbaar is met de eerder genoemde bewijsmiddelen.
4.3.1.6.
Medeplegen, opzet en voorbedachten rade
Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen – zoals die blijkt uit de bewijsmiddelen – leidt het Gerecht af dat sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer 2] te doden. Verdachte is samen met een ander in een voertuig naar de plaats delict gereden. Zij hebben vuurwapens meegenomen en vervolgens heeft verdachte, vanuit het voertuig, een grote hoeveelheid kogels afgevuurd op en in de richting van [slachtoffer 2], waarbij [betrokkene 1] in de directe nabijheid van [slachtoffer 2] stond. Ook is verdachte vervolgens uit het voertuig gestapt en heeft hij [slachtoffer 2] wederom onder vuur genomen, terwijl hij, [slachtoffer 2], al op de grond lag door zijn opgelopen verwondingen. Uit het dossier kan naar het oordeel van het Gerecht dan ook niet worden afgeleid dat het handelen van verdachte en de medeverdachte in een opwelling is gebeurd.
Het Gerecht is gelet op al het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – van oordeel dat verdachte, in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] heeft vermoord.
Daarbij overweegt het Gerecht tot slot dat verdachte en zijn medeverdachte door hun handelen kunnen worden verweten dat zij welbewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat de personen die zich in de directe nabijheid van [slachtoffer 2] zouden bevinden, in dit geval [betrokkene 1], ook om het leven zou(den) komen (collateral damage) door de kogelregen die richting [slachtoffer 2] is afgevuurd (vgl. ECLI:NL:PHR:2017:1443 (Hato-shooting)). Daarbij weegt mee dat [betrokkene 1] ook daadwerkelijk geraakt is in/langs zijn schouder door een kogel. De aard van deze gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht brengen met zich dat het handelen van verdachte en diens mededader zozeer was gericht op het mogelijke gevolg, het toebrengen van de dood van eenieder in de nabijheid van [slachtoffer 2], dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en de mededader(s) bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg hebben aanvaard. Dat [betrokkene 1] niet is overleden, doet daaraan niet af. Het Gerecht acht dan ook voorwaardelijk opzet op de poging tot moord van [betrokkene 1] aanwezig. 4.3.1.7.
Tussenconclusie
Het Gerecht komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van moord van [slachtoffer 2] (feit 1 van parketnummer 500.00191/23) en het medeplegen van de poging tot moord van [betrokkene 1] (feit 2 (primair) van parketnummer 500.00191/23).
4.3.2.Overwegingen ten aanzien van onderzoek Bliksem
4.3.2.1.
De moord op [slachtoffer 1]
Het lichaam van [slachtoffer 1] is in de vroege ochtend van 29 september 2022 gevonden. De patholoog heeft ingeschat dat het tijdstip van overlijden ergens in de periode van 3,5 uur tot 11 uur voor het moment van onderzoeken van 8:40 uur moet hebben gelegen. Het Gerecht gaat er dan ook van uit dat [slachtoffer 1] ergens tussen 28 september 2022 om 21:40 uur en 29 september 2022 om 05:10 moet zijn doodgeschoten.
Uit de bewijsmiddelen leidt het Gerecht af dat [slachtoffer 1] in de avond of nacht van 28 september 2022 op 29 september 2022 thuis is gekomen van een feest van een buurtbewoner. [slachtoffer 1] woonde op dat moment aan de [adres] in de wijk Seru Fortuna. Toen hij op het balkon/de porch van die woning zat, is hij – zo leidt het Gerecht uit het forensisch onderzoek af – door een schutter verrast en doorzeefd met een grote hoeveelheid kogels. Uit forensisch onderzoek volgt verder dat terwijl [slachtoffer 1] al zwaar gewond was en weg probeerde te vluchten, de schutter meerdere doelgerichte kogels heeft afgevuurd op [slachtoffer 1], om, zo begrijpt het Gerecht, zeker te weten dat [slachtoffer 1] dood zou gaan. Op de plaats delict zijn 34 hulzen door de forensische opsporing aangetroffen. Uit het medisch onderzoek volgt dat 47 kogelverwondingen in het lichaam van [slachtoffer 1] zaten. Hij overleed ter plekke aan zijn verwondingen.
Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm, lijkt ook deze aanslag sterk op een liquidatie.
4.3.2.2.
Gebruikt vuurwapen en modus operandi
Uit munitie(vergelijkend)onderzoek leidt het Gerecht af dat alle aangetroffen hulzen op de plaats delict van de moord op [slachtoffer 1], met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, zijn verschoten met hetzelfde Glock-pistool als het Glock-pistool dat is gebruikt bij de moord op [slachtoffer 2]. Zoals eerder is vastgesteld, was verdachte degene die dat wapen ten tijde van de moord op [slachtoffer 2] hanteerde. Het Gerecht ziet in het gebruik van exact hetzelfde vuurwapen een sterke aanwijzing voor betrokkenheid van verdachte bij deze moord, maar deze omstandigheid is niet doorslaggevend, want het Gerecht is zich ervan bewust dat - hoewel verdachte daarover zelf niets heeft verklaard – vuurwapens in het criminele circuit mogelijk van hand tot hand kunnen gaan. Om tot een veroordeling te kunnen komen, moet dus meer bewijs voorhanden zijn dan alleen het gebruik van hetzelfde vuurwapen dat verdachte bij de moord op [slachtoffer 2] heeft gebruikt, zeker aangezien er acht maanden tussen de twee moorden zitten.
Naast het gebruik van hetzelfde vuurwapen vallen echter meer gelijkenissen op tussen de moord op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Beide moorden vonden plaats in de wijk Seru Fortuna, een afgelegen wijk met een kleine gemeenschap. Daarbij valt op dat beide moorden in de avond/nacht plaatsvonden vlak voor de woning van de slachtoffers. Ook valt de uitzonderlijke hoeveelheid schoten op die bij beide moorden zijn afgevuurd (bij de moord op [slachtoffer 2] minimaal 41 en bij de moord op [slachtoffer 1] minimaal 34). Verder kan bij beide aanslagen worden vastgesteld dat de slachtoffers, nadat zij zwaar gewond zijn geraakt door de eerder afgevuurde kogels, nogmaals onder vuur zijn genomen om, zo begrijpt het Gerecht, zeker te weten dat de slachtoffers dood zouden gaan. Tot slot valt uit de bewijsmiddelen in onderzoek Cloud op dat verdachte (relatief) kort na het plegen van de moord op [slachtoffer 2] is teruggekeerd naar de plaats delict om daar te gaan kijken. Datzelfde geldt voor de moord op [slachtoffer 1]: verdachte was aanwezig op/rondom de plaats delict toen de politie onderzoek deed in de ochtend van 29 september 2022.
Het gebruik van hetzelfde vuurwapen in combinatie met opvallende overeenkomsten in de modus operandi van de twee moorden, maakt dat het Gerecht sterke aanwijzingen ziet voor de betrokkenheid van verdachte bij ook deze moord.
4.3.2.3.
De betrouwbaarheid van de getuige 3
Op 3 januari 2024, ruim een jaar na de moord op [slachtoffer 1], heeft de minderjarige getuige [getuige 3] zich bij de politie gemeld als ooggetuige. [getuige 3] verklaart dat zij gezien heeft dat verdachte [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten. Bij de rechter-commissaris heeft zij op 7 maart 2025 deze verklaring herhaald. De verdediging heeft uitgebreid en onderbouwd gemotiveerd waarom deze getuigenverklaring onbetrouwbaar is en dus niet voor het bewijs kan worden gebruikt.
Het Gerecht is met de verdediging van oordeel dat met betrekking tot het gebruik van getuigenverklaringen die geruime tijd na het incident zijn afgelegd, behoedzaam moet worden omgegaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat na verloop van tijd getuigen details verkeerd kunnen herinneren, gebeurtenissen met elkaar kunnen verwarren of dat herinneringen van getuigen worden beïnvloed door informatie van anderen. Ook kunnen getuigen bepaalde dingen verklaren, omdat zij daar een belang bij hebben, bijvoorbeeld om zichzelf of een ander te beschermen of iemand anders te benadelen. Het Gerecht zal dan ook moeten beoordelen of er redenen zijn om aan (een deel van) de verklaring van [getuige 3] te twijfelen.
Net als de verdediging ziet het Gerecht dat op detailpunten verschillen bestaan tussen de verklaring die [getuige 3] bij de politie en die zij bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Zo heeft de verdediging er bijvoorbeeld op gewezen dat [getuige 3] verschillend heeft verklaard over wie er wel of niet op een feest/ bij de elektriciteitskast waren en wie er wel of geen muts op had. Op relevante hoofdlijnen verklaart [getuige 3] echter consistent. Zo verklaart [getuige 3] dat zij in de avond van 28 september 2022 bij de elektriciteitskast aanwezig was, een ontmoetingsplek in Seru Fortuna. Bij die kast waren meerdere mensen aanwezig, waaronder [betrokkene 3], [betrokkene 4] en verdachte. Op enig moment liep [slachtoffer 1], het latere slachtoffer voorbij en op dat moment zei verdachte tegen [betrokkene 3]: “vandaag moet deze man doodgaan want hij heeft veel fouten”, waarbij hij doelde op [slachtoffer 1]. Verdachte en [betrokkene 3] zijn vervolgens op enig moment vertrokken. Over het tweede deel van de avond heeft [getuige 3] ook consistent verklaard: vanwege de eerdere opmerking van verdachte bij de elektriciteitskast bleef ze hem op een afstandje volgen. Ze zag hoe verdachte op een gegeven moment naar zijn huis ging en met een machinegeweer naar buiten liep. Vervolgens zag ze hoe verdachte samen met [betrokkene 3] naar het huis van [slachtoffer 1] ging en hoe verdachte op [slachtoffer 1] schoot. Het Gerecht stelt vast dat [getuige 3] op deze essentiële punten steeds hetzelfde heeft verklaard. Het feit dat een getuige zich bepaalde (ondergeschikte) details bij een verhoor dat ruim een jaar later plaatsvindt anders herinnert of nieuwe informatie naar voren brengt, is op zichzelf echter geen aanleiding om de verklaring als ongeloofwaardig aan te merken, zeker gelet op het tijdsverloop tussen de moord en het eerste politieverhoor (ruim een jaar) en het tijdsverloop tussen het eerste en tweede verhoor (ruim een jaar).
Ondersteuning voor de verklaring van [getuige 3]: de elektriciteitskast
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op de avond van 28 september 2022 inderdaad bij de elektriciteitskast stond en dat bij hem onder andere [betrokkene 3] (de getuige [slachtoffer 2], hierna te noemen: [betrokkene 3]) en [betrokkene 4] stonden. Uit de verklaring die [betrokkene 4] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd leidt het Gerecht af dat hij zich herinnert dat verdachte op de bewuste avond tegen [betrokkene 3] zei dat ‘ze [slachtoffer 1] moesten vermoorden’. Naast deze getuige, heeft ook [getuige 4] getuigenverklaringen afgelegd. Hoewel over haar getuigenverklaringen veel kan worden opgemerkt, verklaart zij consistent over wat zij gehoord heeft bij de elektriciteitskast, te weten dat verdachte zei dat iemand vermoord moest worden op het moment dat [slachtoffer 1] voorbij liep. Het Gerecht ziet op detailpunten verschillen in hun verklaringen, bijvoorbeeld over wie er (nog meer) bij die elektriciteitskast waren en over de exacte bewoording die verdachte heeft geuit. Dat is begrijpelijk; de getuigen hebben lang na het incident een verklaring afgelegd en ook tussen de verschillende verhoren zit veel tijd. De kern van de verklaringen van deze getuigen is echter gelijk: (i) over het moment waarop verdachte de dreigende woorden zou hebben geuit (toen [slachtoffer 1] voorbij liep), (ii) over de strekking van wat verdachte had gezegd (die man moet/gaat dood), en (iii) tegen wie verdachte deze woorden richtte ([betrokkene 3]). Het Gerecht ziet bij de beoordeling van het betrouwbaarheidsverweer ondersteuning voor dit deel van de verklaring van [getuige 3] in de verklaringen van [getuige 4] en [betrokkene 4]. Het Gerecht ziet geen enkele aanwijzing in het dossier dat [getuige 3], [getuige 4] en [betrokkene 4] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, om zodoende verdachte ten onrechte te belasten.
De tussentijd: het feest
[getuige 3] verklaart over het vervolg van de avond dat [slachtoffer 1] naar een buurtfeest ging en dat verdachte en [betrokkene 3] ook die kant op liepen. Dat [slachtoffer 1] op het buurtfeest was, wordt ondersteund door de getuige [getuige 5].
Ondersteuning voor de verklaring van [getuige 3]: de moord
[getuige 3] verklaart dat zij heeft waargenomen dat [slachtoffer 1] van het feest wegging. Ook heeft zij gezien dat verdachte naar zijn huis is gegaan, een wapen heeft opgehaald, samen met [betrokkene 3] naar de woning van [slachtoffer 1] is gelopen en dat verdachte op [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl [slachtoffer 1] op het balkon zat. Zoals zojuist overwogen, bevestigen twee andere getuigen dat verdachte gezegd heeft dat [slachtoffer 1] dood moest/gaat en dat hij [betrokkene 3] betrok bij dat plan. Dat verdachte (voor een deel) samen met [betrokkene 3] optrok, acht het Gerecht dan ook in lijn met de eerdere uitlating van verdachte. [getuige 3] heeft verder verklaard dat [slachtoffer 1] op het balkon zat toen verdachte begon te schieten. Dit gedeelte van haar verklaring komt overeen met de bevindingen van het forensisch onderzoek naar de plaats delict, waaruit volgt dat [slachtoffer 1] is doodgeschoten toen hij zich op het balkon/de porch bevond. Naast deze punten, merkt het Gerecht op dat de verklaring van de getuige naadloos past bij hetgeen het Gerecht heeft overwogen over het gebruik van hetzelfde vuurwapen en de modus operandi van verdachte, terwijl [getuige 3] van die onderzoeksbevindingen geen kennis heeft kunnen hebben.
Redenen om te twijfelen aan de verklaring van [getuige 3]?
De verdediging heeft aandacht gevraagd voor inconsistenties, tegenstrijdigheden en bijzonderheden in de verklaringen van [getuige 3]. Daarbij wijst de verdediging ook op onderdelen van haar verklaring die niet stroken met objectief bewijsmateriaal. De verdediging concludeert dat de verklaring van [getuige 3], zeker als het om de moord gaat, onbetrouwbaar is.
[getuige 3] heeft pas na (ruim) een jaar na de moord een verklaring afgelegd, op het moment dat verdachte zich in voorlopige hechtenis bevond vanwege de verdenking in de zaak Cloud. Over de reden waarom zij niet eerder een verklaring heeft afgelegd, heeft [getuige 3] aangegeven dat zij bang was voor (represailles van) verdachte. Gelet op de jonge leeftijd van [getuige 3], zij was 15 jaar ten tijde van de moord van [slachtoffer 1], en het algehele beeld dat uit het dossier naar voren komt dat mensen in Seru Fortuna in zijn algemeenheid niet durven/willen praten met de politie, en zeker niet ten aanzien van verdachte, acht het Gerecht deze uitleg begrijpelijk. Verder is het tijdsverloop ook niet van dien aard dat het in de rede ligt dat de herinneringen grotendeels vervaagd zijn, zeker vanwege de heftigheid van het incident. Dat [getuige 3] pas later een verklaring heeft afgelegd, maakt dan ook niet dat haar verklaring onbetrouwbaar is.
De verdediging heeft verder aangevoerd dat de moeder van [getuige 3] weliswaar verklaart dat haar dochter haar direct na de moord in vertrouwen had genomen en over de moord op [slachtoffer 1] had verteld, maar dat de ‘de-auditu’ verklaring die zij vervolgens afgelegd heeft, niet overeenkomt met de lezing die [getuige 3] zelf heeft gegeven. Het Gerecht volgt dit niet. De moeder van [getuige 3] heeft immers op 3 januari 2024 tegen de politie verteld dat zij van haar dochter over de moord had gehoord. Zij verklaarde: ik hoorde dat [bijnaam verdachte] de schutter is en dat hij [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten. Op 13 november 2025 is de moeder van [getuige 3] bij de rechter-commissaris gehoord. Over wat ze van [getuige 3] had gehoord, vertelde ze dat ze had gehoord dat [slachtoffer 1] net terug kwam van een feestje, verdachte en ene ‘[naam]’ erbij betrokken waren, dat [bijnaam verdachte] had geschoten toen hij op het balkon zat te eten. De kern van deze de-auditu verklaring is dat [getuige 3] van begin af aan tegen haar moeder heeft verteld dat verdachte geschoten had nadat [slachtoffer 1] terugkwam van een feestje. Dat komt overeen met de verklaring die [getuige 3] ook heeft afgelegd.
De verdediging heeft verder aangevoerd dat het opvallend is dat [getuige 3] verklaart dat verdachte een machinegeweer bij zich droeg, terwijl uit forensisch bewijs afgeleid kan worden dat een Glock-pistool is gebruikt bij de moord op [slachtoffer 1]. Het Gerecht ziet dat anders. Het Gerecht kan allereerst slechts vaststellen dat een Glock-pistool is gebruikt, maar hoe het moordwapen eruitgezien heeft en of er modificaties, zoals een verlengde kolf, op dit wapen zijn aangebracht, dat kan het Gerecht niet vaststellen: het wapen is tot op heden niet gevonden. Ook als het Gerecht ervan uitgaat dat de lengte van het pistool niet was aangepast, geldt dat vanwege de grote hoeveelheid verschoten munitie en de conclusies die het Gerecht in onderzoek Cloud heeft getrokken over deze Glock, er sterke aanwijzingen zijn dat de Glock met een ‘switch’ was omgebouwd tot een volautomatisch vuurwapen en/of dat de Glock voorzien was van een verlengde patroonhouder. Opvallend is dat ook de ooggetuige [betrokkene 1] in de zaak Cloud sprak over het geluid van een machinegeweer en in die zaak dezelfde Glock is gebruikt. Nu er sterke aanwijzingen zijn dat een pistool is gebruikt dat volautomatisch kon vuren en/of een verlengde patroonhouder had, acht het Gerecht het niet onlogisch dat een vijftienjarig meisje het wapen – zeker na een langere tijd – als een (lang) machinegeweer in haar herinneringen opslaat. Dat raakt de betrouwbaarheid van haar verklaring niet.
De verdediging heeft verder gewezen op tegenstrijdigheden tussen de door [getuige 3] geschetste tijdlijn van de avond van 28 september 2022 met objectief bewijs. Het Gerecht ziet dat niet. Uit de verklaring van [getuige 3] is immers geen duidelijke tijdlijn te ontwaren. Hoeveel tijd er tussen de gebeurtenissen bij de elektrische kast en de moord zit, is niet duidelijk geworden. Hoewel ernaar gevraagd is, wist [getuige 3] geen tijdstippen te noemen en is uit haar verklaring niet helder geworden hoeveel tijd er tussen de gebeurtenissen bij de elektrische kast, het feest en de moord zit. De verdediging heeft niettemin uit de verklaring van [getuige 3] afgeleid dat de moord – volgens de tijdlijn die [getuige 3] schetst – voor 22.41 uur moet hebben plaatsgevonden omdat [getuige 3] niet spreekt over ‘regen’ terwijl uit online weersinformatie van die avond volgt dat het vanaf 22.41 uur op Curaçao zou hebben geregend. Verder gaat de verdediging ervan uit dat het daadwerkelijke tijdstip van overlijden tussen 01.00 uur en 03.00 uur ligt. Deze redenering volgt het Gerecht niet. Nog los van de vraag of de online weersinformatie klopt en/of dit ziet op het hele eiland Curaçao of slechts delen daarvan en/of het de hele avond onafgebroken heeft geregend, geldt dat zelfs als de door de verdediging genoemde weersinformatie accuraat is, dan nog de omstandigheid dat [getuige 3] niet verklaart over regen, niet wil zeggen dat zij geen regen heeft waargenomen. Zij heeft verklaard over opvallende zaken die haar zijn bijgebleven: een moord en bliksemstralen. Of het regende is haar verder niet gevraagd in de verhoren. Dit onderdeel raakt de betrouwbaarheid van [getuige 3] dan ook niet.
De verdediging heeft verder in het kader van de betrouwbaarheid van [getuige 3] aangevoerd dat [getuige 3] in haar verklaringen nog een ooggetuige noemt, met de bijnaam [getuige 5], terwijl [getuige 5] zelf verklaart geen ooggetuige te zijn geweest. Het Gerecht is dit ook opgevallen. Echter, gelet op de leeftijd van [getuige 5] (ten tijde van de moord 11 jaar), de diverse verklaringen die gaan over onwil om te verklaren vanwege angst voor represailles en de verklaring van de oma van [getuige 5] waaruit kan worden afgeleid dat de moeder van [getuige 5] erop tegen is dat (een van) haar dochter(s) meewerkt met het politieonderzoek, acht het Gerecht dit onderdeel niet van doorslaggevende betekenis voor de betrouwbaarheid van [getuige 3]. Deze omstandigheid maakt echter wel dat het Gerecht kritisch toetst of de verklaring verankerd is in overig bewijsmateriaal of onderzoeksresultaten en zoals hiervoor overwogen, staat de verklaring van [getuige 3] niet op zich, maar wordt deze ondersteund door ander bewijs en onderzoeksresultaten.
Waar het Gerecht tot slot wel moeite mee heeft is dat [getuige 3] in haar eerste verklaring verklaart dat slechts verdachte degene was die op [slachtoffer 1] heeft geschoten. In die verklaring heeft zij niets gezegd over dat zij een vuurwapen bij [betrokkene 3] heeft waargenomen. Ruim een jaar later bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 3] dat zij bij [betrokkene 3] ook een vuurwapen heeft gezien, te weten een handvuurwapen, en daarenboven verklaart zij dat [betrokkene 3] dat vuurwapen ook zou hebben afgevuurd. Het Gerecht acht dit opvallend, zeker aangezien uit forensisch onderzoek volgt dat maar één vuurwapen is gebruikt bij de moord op [slachtoffer 1]. [getuige 3] heeft op dit belangrijke punt wisselend verklaard en haar tweede verklaring is in strijd met objectief bewijs. Op dit onderdeel acht het Gerecht de verklaring van [getuige 3] niet betrouwbaar. De vraag is echter of dit de gehele verklaring van [getuige 3] onbetrouwbaar maakt. Het Gerecht beantwoordt die vraag ontkennend. Zoals hiervoor weergegeven, is de verklaring van [getuige 3] op de overige belangrijkste relevante punten consistent en gedetailleerd en wordt een belangrijk onderdeel dat belastend voor verdachte is (over de uitlating bij de elektrische kast), ondersteund door andere getuigen, verder komt haar verklaring overeen met forensisch bewijs en ondersteunt de modus operandi en het gebruik van hetzelfde vuurwapen, de verklaring van [getuige 3] over het daderschap van verdachte. Hoewel het Gerecht dus twijfelt over dit deel van haar verklaring, maakt dat niet dat de rest van haar verklaring onbetrouwbaar wordt geacht.
Tot slot merkt het Gerecht op dat uit de verklaring van [getuige 3], maar vrijwel van alle getuigen die in het onderzoek gehoord zijn, volgt dat zij bang voor verdachte zijn. [getuige 3] wilde eigenlijk ook niet opnieuw gehoord worden en moest met een bevel medebrenging worden gehoord bij de rechter-commissaris. Van een logische reden om desalniettemin verdachte ten onrechte te belasten, is niet gebleken.
Gelet op al het voorgaande verwerpt het Gerecht de verweren van de verdediging met betrekking tot de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de in de bewijsmiddelen genoemde getuigenverklaringen.
4.3.2.4.
Alibi
Verdachte heeft herhaaldelijk verklaard dat hij de moord niet gepleegd kan hebben omdat hij een alibi heeft. Verdachtes vermeende alibi wordt door de bewijsmiddelen reeds weerlegd. Volledigheidshalve merkt ook ten aanzien van de moord op [slachtoffer 1] op dat het alibi van verdachte in strijd is met de overige inhoud van het dossier.
Het Gerecht komt tot de conclusie dat verdachte in onderzoek Bliksem wisselend heeft verklaard over zijn activiteiten op de avond van 28 september 2022 en dat het gedeelte waarover hij wel (min of meer) consistent heeft verklaard, wordt ontkracht door zijn eigen vriendin. Allereerst heeft verdachte op 24 juli 2023 – kort na zijn aanhouding door de politie – verklaard dat hij de avond vóór de moord van [slachtoffer 1] ‘alleen’ was. In latere verhoren heeft verdachte keer op keer verklaard dat hij eerst met diverse mensen bij de elektriciteitskast was, daarna naar het verjaardagsfeest van zijn vriendin was gegaan en dat hij vanuit daar samen met haar naar zijn huis is gegaan. Ter zitting verklaarde verdachte dat hij die avond bij de elektriciteitskast stond en dat hij, voordat hij naar zijn vriendin is gegaan om haar verjaardag te vieren, nog bij zijn ‘bij’-vriendin langs was gegaan, omdat zij hem een bericht had gestuurd met de vraag om langs te komen. Hij verklaarde dat hij maar eventjes bij haar is geweest om te zeggen dat hij niet langs kon komen. Dat hij vanaf de elektriciteitskast eerst naar [bijvriendin] was gegaan (en daarna pas naar zijn vriendin) is een detail in zijn verklaring dat pas ter terechtzitting naar voren is gebracht en is opvallend omdat [bijvriendin] in dezelfde woning verbleef als [slachtoffer 1], de plek waar hij die avond/nacht werd geliquideerd. Verdachte bleef ook ter zitting erbij dat hij na de korte ontmoeting met [bijvriendin] naar het verjaardagsfeest van [vriendin] is gegaan. Uit de verklaring van [vriendin] van 20 januari 2025 maakt het Gerecht op dat zij ontkent dat verdachte op haar verjaardagsfeest was die avond.
Het Gerecht komt gelet op het voorgaande tot het oordeel dat verdachte wisselend heeft verklaard over zijn alibi en dat het gedeelte waarover hij redelijk consistent heeft verklaard, te weten zijn aanwezigheid op het verjaardagsfeest van zijn vriendin, niet wordt ondersteund door zijn vriendin.
4.3.2.5.
Conclusie daderschap
Uit de verklaring van de ooggetuige [getuige 3], het gebruik van hetzelfde vuurwapen dat verdachte bij de moord op [slachtoffer 2] heeft gebruikt en de overeenkomende modus operandi volgt wettig en overtuigend bewijs voor zijn daderschap. Daartegenover staat dat verdachte geen sluitend alibi kan overleggen. Al hetgeen hiervoor ten aanzien van het bewijs van de tenlastegelegde feiten is overwogen, sterken het Gerecht in de overtuiging dat de verdachte schuldig is aan het verweten strafbare feit.
Voor zover de verdediging heeft betoogd dat [slachtoffer 1] slachtoffer is geworden van een liquidatie door problemen met anderen dan verdachte, is het Gerecht van oordeel dat dat betoog geen doel kan treffen en ook op geen enkele wijze concreet is geworden op basis van het dossier of concreet is gemaakt door de verdediging.
4.3.2.6.
Opzet en voorbedachten rade
Het Gerecht komt – gelet op al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien – tot het oordeel dat verdachte de daad bij het woord heeft gevoegd en hij op of omstreeks 29 september 2022 [slachtoffer 1] heeft geliquideerd. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen – zoals die blijkt uit de bewijsmiddelen – leidt het Gerecht af dat sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] te doden. Verdachte is met een vuurwapen naar de plaats delict gegaan en hij heeft vervolgens een grote hoeveelheid kogels afgevuurd in de richting van [slachtoffer 1]. Terwijl hij, [slachtoffer 1], al op de grond lag door zijn opgelopen verwondingen, heeft verdachte nog een aantal gerichte schoten op [slachtoffer 1] afgevuurd. Uit het dossier kan naar het oordeel van Gerecht dan ook niet worden afgeleid dat het handelen van verdachte in een opwelling is gebeurd.
Het Gerecht is gelet op al het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – aldus van oordeel dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] heeft geliquideerd.
Het Gerecht komt aldus tot een bewezenverklaring van het onder parketnummer 500.00054/24 tenlastegelegde feit. Het Gerecht zal verdachte vrijspreken van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1], nu [getuige 3] over de rol van [betrokkene 3] wisselend heeft verklaard en op basis van de bewijsmiddelen onvoldoende kan worden vastgesteld dat verdachte een nauwe en bewuste samenwerking had met [betrokkene 3] of een andere mededader.