Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premies voor de jaren 2019 en 2021. De Inspecteur had niet tijdig op het bezwaar beslist, waarna belanghebbende beroep instelde. Tijdens de zitting reageerde de Inspecteur alsnog inhoudelijk, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk werd verklaard.
Het geschil betrof de aftrekbaarheid van alimentatiebetalingen die belanghebbende aan zijn ex-echtgenote verrichtte. Hoewel de wettelijke alimentatieverplichting na 12 jaar was geëindigd, was er een onderlinge overeenkomst tot verlenging van vijf jaar. Het Gerecht oordeelde dat deze verlenging een in rechte vorderbare verplichting vormt en dat de alimentatie als persoonlijke last aftrekbaar is, mede gelet op de morele verplichting en de financiële situatie van de ex-echtgenote.
De Inspecteur had de alimentatiebedragen niet in aftrek toegestaan, maar kon de hoogte van de betalingen niet betwisten. Het Gerecht stelde het belastbaar inkomen dienovereenkomstig lager vast en wees een proceskostenvergoeding toe voor de beroepsfase. De aanslagen werden verminderd en het beroep gegrond verklaard.