Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslagen winstbelasting en vergrijpboetes over de jaren 2018 tot en met 2020, maar dit bezwaar is niet binnen de wettelijke termijn van twee maanden na dagtekening van de aanslagbiljetten ingediend.
De gemachtigde van belanghebbende, die reeds voor de aanslagen beroepsmatig rechtsbijstand verleende, kon de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maken. Argumenten zoals overlijden van eerdere adviseurs en taalbarrières werden niet voldoende geacht om de termijnoverschrijding te rechtvaardigen.
Het Gerecht verwijst naar jurisprudentie van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven en de Hoge Raad, waarin is bepaald dat professionele rechtsbijstandverlener verantwoordelijk is voor het bewaken van termijnen. De Inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard en het Gerecht bevestigt dit oordeel.
Omdat het bezwaar niet ontvankelijk is, komt het Gerecht niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de naheffingsaanslagen en boetes, hoewel het wel opmerkt dat de Inspecteur forse correcties toepaste op basis van een theoretische omzetberekening. Het Gerecht adviseert overleg tussen partijen over de grondslagen van deze berekening.
De uitspraak is gedaan op 15 januari 2025 door rechter Pijnenburg, en partijen kunnen binnen twee maanden hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.