ECLI:NL:OGEAC:2023:370

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
21 augustus 2023
Publicatiedatum
16 mei 2024
Zaaknummer
CUR202204544
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 84 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tijdigheid van verzet tegen verstekvonnis en vereisten daad van bekendheid

In deze zaak staat de vraag centraal of het verzet tegen een eerder gewezen verstekvonnis tijdig is ingesteld. Dit hangt af van het moment waarop sprake is van een daad van bekendheid in de zin van artikel 84 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Vaststaat dat het verstekvonnis niet aan eiser is aangezegd en niet ten uitvoer is gelegd.

De rechtbank overweegt dat een daad van bekendheid een ondubbelzinnige handeling van de veroordeelde zelf vereist waaruit blijkt dat hij voldoende kennis heeft van het vonnis om zich tijdig te verzetten. Handelingen van een raadsman of het enkel ontvangen van het vonnis gelden niet als een daad van bekendheid. In dit geval heeft de gemachtigde van eiser het vonnis opgevraagd en doorgestuurd, maar dit leidt niet tot een daad van bekendheid van eiser zelf.

Aangenomen dat eiser het vonnis op 11 november 2022 ontving, is het verzet op 24 november 2022 nog tijdig ingediend. Het gerecht gelast een comparitie van partijen om de inhoudelijke beoordeling te voeren, waarbij ook de schuld van de dochter van gedaagden en de aanvaarding van de nalatenschap door eiser aan de orde zullen komen. De zaak wordt verwezen naar de rolzitting van 4 september 2023 voor verdere procedurele afhandeling.

Uitkomst: Het verzet tegen het verstekvonnis is tijdig ingesteld en de zaak wordt verwezen voor een comparitie.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202204544
Vonnis van 21 augustus 2023
in de zaak van

1.[gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],
beiden verblijvend in Curaçao,
oorspronkelijk eisers, gedaagden in het verzet,
gemachtigde: mr. E. Bokkes,
tegen
[EISER],zonder bekende woon- of verblijfplaats,
oorspronkelijk gedaagde, eiser in het verzet,
gemachtigden: mrs. A.C. Herrera en A.K.E. Henriquez.
Partijen worden hierna [gedaagden] en [eiser] genoemd.
Inleiding
Aan de orde is de vraag of tijdig verzet is gedaan tegen een eerder gewezen verstekvonnis. Voor de beantwoording van die vraag is in deze zaak van belang wanneer sprake is geweest van een daad van bekendheid in de zin van artikel 84 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het verzet is tijdig en zal verder inhoudelijk worden behandeld.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
  • het oorspronkelijke verzoekschrift van 16 maart 2022,
  • het verstekvonnis van 3 oktober 2022,
  • het verzoekschrift in verzet van 24 november 2022,
  • de incidentele conclusie van 6 maart 2023,
  • de conclusie van repliek in verzet van 8 mei 2023.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

De ontvankelijkheid van het verzet
2.1.
Aan de orde is de vraag of het verzet tijdig is ingesteld. [gedaagden] c.s. stellen zich op het standpunt dat [eiser] niet tijdig verzet heeft ingesteld. [eiser] is het daar niet mee eens.
2.2.
Op grond van artikel 84 Rv Pro moet verzet worden gedaan binnen twee weken na de aanzegging van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is. Deze maatstaf houdt in dat de veroordeelde een handeling moet hebben verricht waaruit ondubbelzinnig valt op te maken dat hij over voldoende gegevens met betrekking tot (de inhoud van) zijn veroordeling beschikt om zich daartegen tijdig en adequaat te kunnen verzetten (HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ0652).
2.3.
Vast staat dat het verstekvonnis niet aan [eiser] is aangezegd en ook dat het niet ten uitvoer is gelegd. Ter beoordeling ligt daarom voor de vraag of [eiser] een daad van bekendheid heeft verricht meer dan twee weken voor het indienen van het verzoekschrift in verzet op 24 november 2022.
2.4.
Van een daad van bekendheid in de zin van artikel 84 lid 1 Rv Pro is pas sprake als de veroordeelde ‘naar buiten’ een daad verricht waaruit ondubbelzinnig de bekendheid met de hoofdinhoud van het vonnis volgt. Naar de bewoordingen en strekking van artikel 84 Rv Pro moet het gaan om een daad van de veroordeelde zelf. Een daad van diens raadsman of vertegenwoordiger, waaruit de bekendheid met het vonnis bij deze laatste noodzakelijk voortvloeit, mag daarmee niet worden gelijkgesteld. Door het enkele aanhoren van het vonnis pleegt de veroordeelde geen daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis hem bekend is, ook al zou moeten worden aangenomen dat hij door dat aanhoren globaal van de inhoud van het verstekvonnis op de hoogte is geraakt. Het in ontvangst nemen door een bij verstek veroordeelde gedaagde van een afschrift van het vonnis en de ondertekening van een verklaring van ontvangst zijn geen daden waaruit de bekendheid met dat vonnis noodzakelijk voortvloeit. Als de raadsman of een vertegenwoordiger van de veroordeelde een daad van bekendheid pleegt, moet wel, behoudens bijzondere, door de veroordeelde aan te voeren omstandigheden, worden aangenomen dat daaraan een daad van bekendheid van de veroordeelde is voorafgegaan (HR 19 november 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB5225, HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4071).
2.5.
In dit geval is [eiser] bij verstekvonnis van 3 oktober 2022 veroordeeld. De gemachtigde van [eiser] heeft bij e-mail van 9 november 2022 aan de gemachtigde van [gedaagden] c.s. om een afschrift van het verstekvonnis, indien al gewezen, verzocht. De gemachtigde van [gedaagden] c.s. heeft daarop het verstekvonnis per e-mail van 10 november 2022 aan de gemachtigde van [eiser] verzonden. De gemachtigde van [eiser] heeft het verstekvonnis vervolgens per e-mail van 11 november 2022 aan [eiser] gestuurd. Daarbij heeft zij [eiser] nogmaals geadviseerd zo spoedig mogelijk een advocaat in Curaçao te vinden om ermee aan de slag te gaan.
2.6.
Gelet op voorgaande gang van zaken kan niet worden vastgesteld dat [eiser] een daad van bekendheid heeft verricht. Evenmin volgt daaruit dat de gemachtigde van [eiser] een daad van bekendheid heeft gepleegd, op grond waarvan moet worden aangenomen dat daaraan een daad van bekendheid van [eiser] is voorafgegaan. Aangenomen dat [eiser] het verstekvonnis op 11 november heeft ontvangen, kan die enkele ontvangst in het licht van vaste rechtspraak niet worden aangemerkt als een daad van bekendheid. Zou overigens na de ontvangst van het verstekvonnis door [eiser]’s advocaat op 10 of door [eiser] op 11 november 2022 al sprake zijn geweest van een daad van bekendheid die als een daad van [eiser] kan worden aangemerkt, dan moet worden vastgesteld dat het verzet op 24 november 2022 nog tijdig is ingediend.
2.7.
De conclusie is dat het verzet tijdig is gedaan.
De inhoudelijke beoordeling
2.8.
Alvorens inhoudelijk op de zaak in te gaan acht het gerecht het wenselijk een comparitie te gelasten.
2.9.
Partijen krijgen ter zitting de gelegenheid om hun standpunten toe te lichten en vragen van het gerecht te beantwoorden. Tijdens de zitting zal (het bestaan en de hoogte van) de schuld van wijlen de dochter van [gedaagden] c.s. aan de orde komen en ook de vraag of de nalatenschap al dan niet door [eiser] is aanvaard. Partijen wordt verzocht een en ander zoveel mogelijk te onderbouwen met bewijsstukken.
2.10.
Partijen kunnen de voor de zaak relevante stukken, voor zover nog niet overgelegd, voorafgaand aan de zitting in het geding brengen. Deze stukken dienen uiterlijk op de derde (de voor-voorlaatste) werkdag voor de zittingsdatum met begeleidende brief te worden ingediend bij het gerecht, onder gelijktijdige verzending van een afschrift van de brief en de stukken aan de wederpartij.
2.11.
Voor een goede beoordeling van de zaak is het van belang dat beide partijen in persoon aanwezig zijn. Verschijnt een partij niet, dan kan het gerecht daaraan de conclusie verbinden die het geraden acht.
2.12.
De zaak zal worden verwezen naar de rol van 4 september 2023 voor akte opgave verhinderdata (P1) voor de periode oktober t/m december 2023, waarna een datum zal worden bepaald. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.De beslissing

Het gerecht:
3.1.
gelast een comparitie van partijen als hiervoor bedoeld;
3.2.
verwijst de zaak naar de rol van 4 september 2023 voor akte opgave verhinderdata (P1) voor de periode oktober t/m december 2023 door partijen;
3.3.
houdt iedere verder beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter, bijgestaan door mr. G. Benedictus, griffier, en in het openbaar uitgesproken.