Belanghebbende, een ondernemer met een massagesalon, maakte bezwaar tegen aanslagen premie basisverzekering ziektekosten (BVZ) en premies AOV/AWW over 2013 en 2014. Zij stelde onder meer dat zij onterecht teveel premie moest betalen omdat zij deels particulier verzekerd was geweest. Het Gerecht oordeelde dat de Inspecteur de wettelijke regels correct had toegepast en dat de wetgever vrij is in het vaststellen van premies, waarbij toetsing aan de Staatsregeling van Curaçao niet is toegestaan.
Het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar werd deels niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding. De aanslag premies AOV/AWW 2014 werd gegrond verklaard omdat de Inspecteur de aanslag na beroep had verminderd. Het Gerecht stelde vast dat de motivering van de uitspraak op bezwaar onvoldoende was, maar dit leidde niet tot vernietiging van de aanslag.
Belanghebbende had verzocht om een dwangsom en stelde dat zij de aanslagen niet kon betalen; het Gerecht wees deze verzoeken af omdat deze niet tot de bevoegdheid van de belastingrechter behoren. Wel werd belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend voor juridische bijstand en verletkosten, evenals vergoeding van griffierechten.
De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. de Werd op 29 maart 2018 en bevatte een gedetailleerde beoordeling van de formele ontvankelijkheid, materiële toepassing van de wet en proceskostenvergoedingen.