ECLI:NL:OGEABES:2025:116

Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
BON202500477
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3:13 BW BESArt. 3:107 lid 1 BW BESArt. 5:1 lid 1 BW BESArt. 5:2 BW BES
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruimingsvordering woning uit onverdeelde nalatenschap toegewezen met termijn van drie maanden

De erfgenamen van een nalatenschap vorderden in kort geding de ontruiming van een woning die deel uitmaakt van de onverdeelde nalatenschap van hun overleden familielid. De huidige bewoner, die geen rechtmatige titel heeft, woont al geruime tijd kosteloos in de woning. Eerder was een ontruimingsvordering afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang, maar na een vonnis dat de erfgenamen toestaat tot verkoop over te gaan, werd de vordering hernieuwd.

De bewoner voerde een beroep op het woonbelang onder artikel 8 EVRM Pro en stelde dat ontruiming hem dakloos zou maken in een krappe woningmarkt. Het gerecht oordeelde dat het eigendomsrecht van de erfgenamen zwaarder weegt dan het woonbelang van de bewoner, mede omdat hij zonder recht in de woning verblijft en al geruime tijd kosteloos woonde.

Het gerecht bepaalde een redelijke ontruimingstermijn van drie maanden, rekening houdend met de situatie van de bewoner en de krappe woningmarkt. De vordering tot ontruiming werd toegewezen, de gevorderde dwangsom afgewezen, en de bewoner werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De bewoner zonder recht moet de woning binnen drie maanden ontruimen, met kostenveroordeling en uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

registratienummer: BON202500477
datum beslissing: 19 november 2025
VONNIS IN KORT GEDING
in de zaak van:
de erfgenamen van de kinderen van [erflaatster], geboren op 15 januari 1894 te Bonaire en overleden op 10 juni 1963 te Curaçao, onder wie bij name:

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

3. [eiser 3],

4. [eiser 4],

5. [eiser 5],

6. [eiser 6],

eisers,
hierna gezamenlijk te noemen: [eisers],
gemachtigde: mr. D.G. Kock,
tegen
[gedaagde],
wonende te Bonaire,
gedaagde,
hierna: [gedaagde],
gemachtigde: mr. M.A. van Lieshout.

1.De procedure

1.1.
Het verzoekschrift met producties is op 15 september 2025 op de griffie van het gerecht ingediend.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 november 2025. [eisers] is vertegenwoordigd door mr. E.J. Winkel (kantoorgenoot van mr. Kock). [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Lieshout. De spreekaantekeningen die mr. Van Lieshout heeft voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat op 19 november 2025 uitspraak zal worden gedaan.

2.Feiten

2.1. [
erflaatster] (hierna: erflaatster) is in 1998 kinderloos overleden. Erflaatster had twee zussen en een broer. [eisers] zijn de kinderen van één van de zussen van erflaatster, [erflaatster].
2.2.
Twee percelen grond aan de [adres 8] op Bonaire staan op naam van erflaatster (hierna: de percelen). Die percelen behoren tot de thans onverdeelde nalatenschap van erflaatster. Op één van de percelen staat een woning (hierna: de woning).
2.3.
De vader van [gedaagde] was bevriend met erflaatster en woonde na het overlijden van erflaatster samen met [gedaagde] in de woning. De vader van [gedaagde] is in 2007 overleden.
2.4. [
gedaagde] is na het overlijden van zijn vader met tussenpozen in de woning blijven wonen. In 2014 is [gedaagde] na een tijd op Aruba te hebben gewoond weer in de woning gaan wonen. In de periode 2018 tot 2023 is [gedaagde] gedetineerd geweest.
2.5. [
gedaagde] en zijn vader hebben altijd kosteloos in de woning gewoond.
2.6. [
eisers] heeft in 2024 een kort gedingprocedure bij dit gerecht aanhangig gemaakt waarin zij vorderden dat [gedaagde] werd veroordeeld om de woning te ontruimen. [1] Bij mondeling vonnis van 12 maart 2024 is die vordering afgewezen, omdat [eisers] geen spoedeisend belang had bij de gevraagde voorziening.
2.7.
In een verdelingsprocedure bij dit gerecht is op 1 augustus 2025 vonnis gewezen. [2] In dat vonnis is beslist dat [eisers] mag overgaan tot verkoop en verdeling van de percelen. In het vonnis staat onder meer:
“2.7. Als wijze van verkoop is onderhandse verkoop door [eisers], vertegenwoordigd door de zes bij name genoemde verzoekers, mogelijk mits niet onder de hoogste beschikbare taxatieprijs, of verkoop door een lokale gerenommeerde makelaar.
2.8.
Indien de onderhandse verkoop niet binnen zes maanden is bewerkstelligd, kan openbare verkoop plaatsvinden, met als inzetprijs 70% van de laagste beschikbare getaxeerde prijs.”
2.8.
De gemachtigde van [eisers] heeft [gedaagde] op 15 augustus 2025 per deurwaardersexploot aangeschreven en hem gesommeerd de woning uiterlijk op 1 september 2025 te ontruimen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.

3.Het geschil

3.1. [
eisers] verzoekt dat het gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
a. [gedaagde] beveelt om zeven dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres 8], kadastraal bekend als Afdeling 4, Sectie D, nummer 1829, groot 382 m² en Afdeling 4, Sectie D, nummer 1830, groot 533 m² te ontruimen en ontruimd te houden;
b. voor het geval [gedaagde] niet vrijwillig ontruimt, [eisers] te machtigen de ontruiming door een deurwaarder te bewerkstelligen dan wel met behulp van de sterke arm, op kosten van [gedaagde];
c. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van $ 100,00 per dag voor elke dag dat hij in gebreke blijft met ontruiming;
d. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2. [
gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] met veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.

4.De beslissing

4.1.
De kern van dit geschil is de vraag of [gedaagde] recht heeft om in de woning te wonen en indien hij dat niet heeft of en op welke termijn hij de woning moet ontruimen. Het gerecht komt tot de conclusie dat [gedaagde] niet in de woning mag blijven wonen en dat hij de woning binnen drie maanden na betekening van dit vonnis moet ontruimen. Dat wordt hierna uitgelegd.
[eisers] heeft een spoedeisend belang bij hun vorderingen
4.2.
Het gaat in deze kort gedingprocedure om een gevorderde voorlopige voorziening. Het gerecht moet daarom eerst beoordelen of [eisers] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft.
4.3. [
gedaagde] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat [eisers] geen spoedeisend belang heeft bij hun vorderingen. Hoewel het gerecht in haar vonnis van 12 maart 2024 een soortgelijke ontruimingsvordering van [eisers] heeft afgewezen vanwege een gebrek aan een spoedeisend belang, hebben zich na 12 maart 2024 nieuwe omstandigheden voorgedaan. Op 1 augustus 2025 heeft het gerecht namelijk beslist dat [eisers] mag overgaan tot verkoop van de percelen waarop de woning staat. Als komt vast te staan dat [gedaagde] niet rechtmatig in de woning woont, heeft [eisers] er belang bij dat hij de woning spoedig verlaat zodat zij kunnen overgaan tot verkoop van de percelen. Hierna zullen de vorderingen van [eisers] inhoudelijk besproken worden.
Het standpunt van [eisers]
4.4. [
eisers] stelt dat zij belang hebben bij ontruiming van de woning. Zij willen de vrije beschikking hebben over de woning voor een spoedig verkoopproces. Het is voor hen noodzakelijk om toegang tot de woning te hebben voor bezichtigingen van potentiële kopers zonder de aanwezigheid van [gedaagde] of zijn spullen. Bovendien is de woning volgens [eisers] verwaarloosd en toe aan onderhoud en renovatie. Twee potentiële kopers van de woning zijn volgens [eisers] afgehaakt vanwege de aanwezigheid van [gedaagde] in de woning met zijn spullen.
Het standpunt van [gedaagde]
4.5. [
gedaagde] heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:25) en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 mei 2008 (ECLI:CE:ECHR:2008:0513JUD001900904) een beroep gedaan op artikel 8 EVRM Pro. [gedaagde] stelt dat hij een rechtens te respecteren woonbelang heeft en dat [eisers] geen dringend belang voor ontruiming heeft dat het woonbelang van hem overstijgt. Volgens [gedaagde] woont hij al vijfentwintig jaar in de woning en heeft [eisers] daartegen nooit bezwaar gemaakt. Hij gebruikt het pand voor zijn bedrijf (een foodtruck voor het perceel). Een ontruiming zal hem dakloos maken en omdat sprake is van een tekort aan betaalbare woningen op Bonaire heeft hij geen alternatief. Hoewel hij nog een onverdeelde woning van wijlen zijn vader verhuurt, kan hij niet op korte termijn over deze woning beschikken en deze woning is bovendien slecht(er) van kwaliteit. Volgens [gedaagde] is er sprake van een theoretisch verkoopproces dat [eisers] wil versnellen.
De vordering van [eisers] tot ontruiming van de woning levert onder deze omstandigheden ook misbruik van recht (als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro BES) op.
De vordering tot ontruiming moet volgens [gedaagde] worden afgewezen.
Het oordeel van het gerecht
4.6.
Het gerecht stelt voorop dat het hier niet gaat om een strafrechtelijke ontruiming door de overheid, maar om een civielrechtelijke ontruiming gegrond op het recht van een eigenaar om zijn eigendom op te eisen (artikel 5:2 BW Pro BES). De in artikel 8 lid 2 EVRM Pro vermelde gronden wat betreft inmenging van openbaar gezag, waaronder het beroep van [gedaagde] op het vereiste dat inmenging op het woonbelang in een democratische samenleving noodzakelijk moet zijn, zijn in dit geval niet aan de orde. De proportionaliteitstoetsing van artikel 8 lid 1 EVRM Pro die in het kader deze procedure moet worden gemaakt moet worden ingevuld door de beperkingen die in artikel 3:13 BW Pro BES worden gesteld aan de uitoefening van genoemde bevoegdheden door [eisers]
4.7.
Uitgangspunt is dat het eigendom op grond van artikel 5:1 lid 1 BW Pro BES het meest omvattende recht is dat een persoon op een zaak kan hebben. De eigenaar van een zaak is krachtens artikel 5:2 BW Pro BES met name bevoegd een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen.
4.8.
Het is niet in geschil dat geen huurovereenkomst ten grondslag ligt aan het betrekken van de woning door [gedaagde]. [gedaagde] stelt dat zijn vader met toestemming van erflaatster de woning heeft betrokken en dat [gedaagde] en zijn vader de woning niet voor hunzelf hebben gehouden (als bedoeld in artikel 3:107 lid 1 BW Pro BES). Bovendien staat het vast dat [gedaagde] geen deelgenoot is van de onverdeelde nalatenschap van erflaatster. Hoewel door erflaatster in het verleden mogelijk toestemming is gegeven aan de vader van [gedaagde] om in de woning te wonen, geven de huidige rechthebbenden van de percelen die toestemming niet. Dat betekent dat [gedaagde] op dit moment zonder recht of titel in de woning verblijft.
4.9.
Het gerecht moet aan de hand van een belangenafweging beoordelen of de ontruiming proportioneel is en daarmee wel of niet toelaatbaar is. Hoewel de gevorderde ontruiming van de woning als een inmenging in het recht op een woonbelang van [gedaagde], zoals vastgelegd in artikel 8 lid 1 EVRM Pro, kan worden gezien, wordt geoordeeld dat deze inmenging proportioneel en gerechtvaardigd is. Daarbij is het van belang dat [gedaagde] gedurende een lange periode kosteloos in de woning heeft kunnen verblijven. Bovendien had [gedaagde] moeten weten dat aan die situatie een einde zou komen. In 2024 heeft [eisers] namelijk ook al een procedure gevoerd tot ontruiming van de woning. Die vordering is destijds afgewezen vanwege een gebrek aan spoedeisend belang van [eisers] In dat vonnis is expliciet overwogen dat [eisers] eerst met de deelgenoten tot verdeling van de nalatenschap van erflaatster moeten overgaan en als de woning in dat verband verkocht zal worden het prettig is als [eisers] de vrije beschikking daarover zal hebben. Kortom, [gedaagde] had voorbereidingen kunnen treffen voor het moment dat [eisers] tot verdeling van de nalatenschap van erflaatster zou overgaan. Inmiddels heeft dit gerecht op 1 augustus 2025 vonnis gewezen waarin is beslist dat eisers mogen overgaan tot verkoop van de percelen. Dat [gedaagde] op dit moment nog geen andere woning heeft om in te wonen en het gelet op het tekort aan betaalbare huurwoningen op Bonaire lastig is om nieuwe woonruimte te vinden brengt niet met zich dat [eisers] niet tot uitoefening van haar bevoegdheid kan komen. Het gerecht zal hier wel rekening mee houden met het bepalen van de termijn voor ontruiming.
4.10.
Het voorgaande betekent dat het woonbelang van [gedaagde] niet opweegt tegen het belang van [eisers] om op korte termijn te kunnen beschikken over haar eigendom. Dit betekent ook dat [eisers] als eigenaar van de woning geen misbruik maken van hun bevoegdheid om tot ontruiming over te gaan.
[gedaagde] moet de woning binnen drie maanden ontruimen
4.11. [
eisers] vordert dat [gedaagde] wordt bevolen de woning binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen. Het gerecht begrijpt dat [eisers] aan de gevorderde termijn van zeven dagen ten grondslag heeft gelegd dat zij menen dat de woning binnen zes maanden na het vonnis van 1 augustus 2025 onderhands verkocht moeten zijn.
4.12.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter de overwegingen uit het vonnis van 1 augustus 2025 over de termijn waarbinnen de onderhandse verkoop van de woning plaats kan vinden(zie rechtsoverweging 2.5) aan de gemachtigde van [eisers] voorgehouden. Bij nader inzien is volgens de gemachtigde van [eisers] de termijn waarbinnen de woning onderhands moet worden verkocht niet beperkt tot zes maanden na het vonnis.
4.13. .
Bij het bepalen van de ontruimingstermijn zal rekening gehouden worden met de omstandigheid dat [gedaagde] al geruime tijd in de woning woont en de woningmarkt op Bonaire voor betaalbare huurwoningen krap is. De termijn waarbinnen [gedaagde] de woning moet ontruimen zal in redelijkheid worden bepaald op drie maanden na betekening van dit vonnis. Het is het gerecht niet gebleken dat het belang van [eisers] zich tegen deze ontruimingstermijn verzet.
De gevorderde dwangsom wordt afgewezen
4.14.
Omdat [eisers] dus al mogelijkheden heeft zoals in de beslissing hierna weergegeven om de ontruiming af te dwingen, is het niet nodig om daarnaast een dwangsom toe te wijzen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.15. [
gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eisers] betalen. De proceskosten worden begroot op $ 251,00 aan griffierecht, $ 159,00 aan betekeningskosten van het verzoekschrift en $ 559,00 aan salaris gemachtigde (tarief eenvoudig kort geding).
4.16.
De nakosten zullen worden toegewezen tot een bedrag van $ 140,00 zonder betekening, verhoogd met $ 84,00 ingeval van betekening.
De beslissingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.17.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eisers] dit vorderen en [gedaagde] daartegen geen verweer heeft gevoerd. Daarbij heeft het gerecht meegewogen dat aan [gedaagde] tegemoet is gekomen met een langere ontruimingstermijn dan gebruikelijk. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als [gedaagde] in hoger beroep gaat. De beslissingen in deze uitspraak gelden in dat geval tot door de hogere rechter een andere beslissing genomen wordt.

5.De beslissing

Het gerecht:
5.1.
beveelt [gedaagde] om de woning aan de [adres 8], kadastraal bekend als Afdeling 4, Sectie D, nummer 1829, groot 382 m² en Afdeling 4, Sectie D, nummer 1830, groot 533 m² binnen drie maanden na betekening van dit vonnis met alle personen en zaken die zich van de kant van [gedaagde] in en om de woning bevinden, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en, onder afgifte van de sleutels, ter vrije en algehele beschikking van [eisers] te stellen;
5.2.
bepaalt dat indien de ontruiming moet plaatsvinden met behulp van de deurwaarder of de sterke arm van politie en justitie, de daarbij te maken kosten voor rekening van [gedaagde] zullen komen;
5.3.
verstaat dat, indien huurder niet aan de veroordeling onder 5.1. voldoet, de deurwaarder, door wie de gedwongen ontruiming zal dienen te geschieden, op grond van de wet- en regelgeving (artikel 555 e.v. Rv BES) bevoegd is de sterke arm van politie en justitie in te roepen, en verleent reeds thans toestemming voor de vertegenwoordiging als bedoeld in artikel 557 jo Pro. 444 lid 2 Rv BES;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op $ 969,00;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, aan de zijde van [eisers] begroot op $ 140,00 zonder betekening en verhoogd met $ 84,00 in geval van betekening, indien nakoming door [gedaagde] uitblijft binnen 14 dagen nadat [gedaagde] schriftelijk is verzocht door [eisers] om aan het vonnis te voldoen;
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Keltjens, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Deze kort gedingprocedure is bekend onder registratienummer BON202400031.
2.Deze verdelingsprocedure is bekend onder registratienummer BON202400641.