De zaak betreft een geschil tussen ouders over de hoofdverblijfplaats van hun minderjarige kind, geboren in Nederland. De moeder woont feitelijk in Aruba en wil dat het kind daar zijn hoofdverblijfplaats heeft, terwijl de vader in Nederland woont en dit betwist.
Het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba heeft geoordeeld dat het niet bevoegd is om over deze verzoeken te beslissen, omdat de gewone verblijfplaats van het kind in Nederland is. Dit oordeel is gebaseerd op het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 en het ongeschreven interregionaal privaatrecht, waarbij de rechter van de staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd is.
De beoordeling van de gewone verblijfplaats is gebaseerd op diverse factoren zoals de duur en regelmaat van verblijf, familie- en sociale banden, medische zorg en inschrijving in bevolkingsregisters. Ondanks het feit dat het kind zowel in Nederland als Aruba tijd heeft doorgebracht, is het centrum van zijn leven volgens het Gerecht Nederland.
Het Gerecht benadrukt dat het belang van het kind voorop staat en dringt erop aan dat partijen afspraken maken over het terugkeren van het kind naar Nederland. Tevens is mediation als optie besproken om de complexe en emotionele situatie te helpen oplossen.
De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De beschikking is gegeven door rechter J. Brandt op 26 juni 2025.