ECLI:NL:OGHACMB:2018:167
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
- Beschikking
- F.W.J. Meijer
- M.C.B. Hubben
- H.J. Fehmers
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Arubaanse rechter bij omgangsregeling biologische vader met minderjarige in Nederland
De man, biologische vader van een minderjarige geboren in Aruba, verzocht om een omgangsregeling met zijn dochter. Het Gerecht Aruba verklaarde hem niet-ontvankelijk omdat het contact met de minderjarige geen wezenlijk deel van zijn identiteit vormde. De Voogdijraad had echter geadviseerd dat omgang mogelijk en in het belang van de minderjarige was, mits onder professionele begeleiding.
Na het vertrek van de vrouw en de minderjarige naar Nederland, oordeelde het Hof dat het perpetuatio fori-beginsel niet zonder meer geldt. Op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, dat ook op Aruba van toepassing is als ongeschreven interregionaal privaatrecht, is de rechter van de nieuwe gewone verblijfplaats van het kind bevoegd.
Het Hof vernietigde daarom de eerdere beschikking en verklaarde het Gerecht Aruba en het Hof onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen, omdat de minderjarige sinds december 2017 haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. De afstand en het minder toegankelijke rechtssysteem maken het voor de vader lastig om in Nederland omgang te verkrijgen, maar dit leidt niet tot een andere bevoegdheidsvaststelling.
Uitkomst: Het Hof verklaart de Arubaanse rechter onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot omgangsregeling vanwege de verhuizing van de minderjarige naar Nederland.