ECLI:NL:OGEAA:2020:158
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.E.B. de Haseth
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vergunning voor innemen van domeingrond voor strandstoelen
Appellante, Aruba Beach Club, stelde beroep in tegen de beschikking van de minister van Integratie, Infrastructuur en Milieu die haar een vergunning verleende voor het innemen van domeingrond met 350 strandstoelen. De vergunning werd verleend voor het jaar 2016 en het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard.
Appellante voerde aan dat zij geen precariovergunning nodig had omdat zij rechthebbende was van de gronden of een erfdienstbaarheid had, en dat zij de gronden niet innam. Het gerecht overwoog dat een vergunning vereist is indien het Land de aanwezigheid van voorwerpen op openbare gronden toestaat. Privaatrechtelijke belemmeringen kunnen slechts in uitzonderlijke gevallen aan de vergunningplicht in de weg staan, en de burgerlijke rechter is primair bevoegd om dit te beoordelen.
Daarnaast faalde het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat appellante geen concrete toezegging van het bevoegde orgaan kon aantonen. Ook is verlening van een precariovergunning met terugwerkende kracht niet uitgesloten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van Aruba Beach Club tegen de vergunning voor innemen van domeingrond wordt ongegrond verklaard.