Uitspraak
1.DE PROCEDURE
2.DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
3.DE BEOORDELING
4.DE UITSPRAAK
22 januari 2020 (P1)voor het nemen van een akte door alle partijen met de in rechtsoverweging 3.7 geformuleerde doeleinden;
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Royal Plaza heeft een vordering ingesteld tegen gedaagde tot betaling van een bedrag van Afl. 3.631.921,00, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering werd ingediend op 15 februari 2019 om 13:56 uur, terwijl gedaagde op diezelfde dag om 13:45 uur is overleden. Hierdoor was gedaagde reeds overleden voordat de vordering werd ingediend.
De procedure kende meerdere stappen, waaronder een akte van de zus en erfgename van gedaagde en een incidentele conclusie van de weduwe van gedaagde die zich wilde voegen of tussenkomen vanwege haar belang bij de woning die zij gelegateerd kreeg. Het gerecht overwoog dat artikel 185 Rv Pro niet van toepassing is omdat de vordering werd ingesteld ná het overlijden van gedaagde.
Op grond van artikel 113 lid 1 Rv Pro wordt de zaak geacht aanhangig te zijn vanaf het tijdstip van indiening, maar niet met terugwerkende kracht tot het begin van die dag. Het feit dat overlijden en indiening op dezelfde dag plaatsvonden, maar het overlijden eerder was, maakt de vordering niet-ontvankelijk. Het gerecht verwees partijen naar een rolzitting voor het nemen van een akte en hield overige beslissingen aan.
Uitkomst: De vordering tegen gedaagde is niet-ontvankelijk omdat gedaagde vóór de indiening van de vordering is overleden.