Klaagster, werkzaam als ambtenaar bij het Departamento Progreso Laboral, werd geschorst op grond van een vermoeden van plichtsverzuim, namelijk het verzoeken en aanvaarden van geld voor het regelen van werkvergunningen. De schorsing volgde op eerdere toegangsontzeggingen en duurde reeds bijna anderhalf jaar.
Verweerder stelde dat de schorsing noodzakelijk was in het belang van de dienst en dat het bezwaar niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het ontbreken van gronden. Het gerecht wees dit af en oordeelde dat het bezwaar inhoudelijk moest worden behandeld.
Het gerecht vond het schorsingsbesluit gegrond wat betreft de bevoegdheid en de concrete verdenking, maar stelde dat de duur van de schorsing in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. Het onderzoek duurde te lang zonder voldoende voortvarendheid. Daarom werd het besluit vernietigd voor zover het de duur betrof en werd bepaald dat de schorsing maximaal drie weken na de uitspraak mag voortduren.
Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van de klaagster. Beide partijen kunnen binnen dertig dagen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken.