ECLI:NL:HR:2026:981
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake inkomstenbelasting 2016
Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 december 2024, waarin het hoger beroep van zowel de Inspecteur als belanghebbende zelf werd behandeld over de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2016, inclusief de beschikking over belastingrente.
De Hoge Raad heeft de ingediende klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad heeft daarbij geen motivering gegeven omdat de klachten geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevatten, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest is op 19 juni 2026 in het openbaar gewezen door de raadsheren Feteris, Boerlage en Van der Voort Maarschalk.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch bevestigd.