Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek en zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
2.Uitgangspunten in cassatie
Haar bestuur bestaat uit een voorzitter, een bestuurder die is afgevaardigd door de NOvA, en een bestuurder die is afgevaardigd door de tuchtcolleges.
Verder stelt belanghebbende de begroting van de tuchtcolleges op en draagt zij zorg voor het inhoudelijk jaarverslag. Zij beheert de websites van de tuchtcolleges. Zij publiceert de uitspraken van de tuchtcolleges en doet de persvoorlichting. Ook beheert belanghebbende diverse (kennis)systemen voor de tuchtcolleges.
Belanghebbende brengt de tuchtcolleges voor de hiervoor in 2.3 vermelde activiteiten geen vergoeding in rekening.
Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur die bezwaren afgewezen.
3.De oordelen van het Hof
Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat de hoogte van de aan belanghebbende verstrekte (kostendekkende) bijdrage is gebaseerd op de jaarlijkse begroting van belanghebbende, bestaande uit posten die noodzakelijk zijn om voormelde ondersteunende diensten te kunnen verrichten aan de tuchtcolleges. Deze begroting is gebaseerd op een schatting van het aantal zaken dat de tuchtcolleges verwachten te zullen behandelen. Dit betekent dat een rechtstreeks verband bestaat tussen de door belanghebbende aan de tuchtcolleges verrichte diensten en de door belanghebbende ontvangen bijdrage van de NOvA. Aan dit rechtstreekse verband doet volgens het Hof niet af of belanghebbende al dan niet een (civielrechtelijke) overeenkomst heeft gesloten met de tuchtcolleges op grond waarvan zij verplicht is om de (ondersteunende) diensten aan de tuchtcolleges te verrichten.
Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat belanghebbende bij de uitvoering van haar ondersteunende taken voor de tuchtcolleges in eigen naam contracten afsluit met leveranciers en daarbij zelf onderhandelt over de contractvoorwaarden en dat zij haar eigen werknemers in dienst heeft om de ondersteunende werkzaamheden te kunnen verrichten voor de tuchtcolleges. Hoewel de bij belanghebbende werkzame griffiers formeel worden aangewezen en ontslagen door de tuchtcolleges, is belanghebbende degene die met hen in eigen naam, voor eigen rekening en onder eigen verantwoordelijkheid een arbeidsovereenkomst aangaat. Verder heeft het Hof aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat belanghebbende en de tuchtcolleges ieder een eigen begroting voeren ten behoeve van de aan hen opgedragen werkzaamheden en dat belanghebbende aan de hand van haar begroting rechtstreeks een financiële bijdrage ontvangt van de NOvA. De begroting van de tuchtcolleges, die in de regel alleen betrekking heeft op de inzet van leden van de rechterlijke macht ten behoeve van de tuchtrechtspraak, wordt ingediend bij het ministerie van Justitie dat vervolgens de begroting vaststelt en een declaratie voor de inzet van de rechterlijke macht indient bij de NOvA. Het Hof heeft bij dit een en ander in aanmerking genomen dat aangezien belanghebbende ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de tuchtcolleges verricht, belanghebbende en de tuchtcolleges een intensieve overlegstructuur hebben.
4.Beoordeling van het middel
Die wettelijke bepalingen brengen niet mee dat belanghebbende, een rechtspersoon, ondergeschikt is aan de tuchtcolleges en dat daarombij belanghebbende zelfstandigheid in de uitoefening van de economische activiteit is uitgesloten. Ook het feit dat tussen belanghebbende en (leden van) de tuchtcolleges intensief overleg plaatsvindt om ervoor te zorgen dat de tuchtcolleges en griffiers hun wettelijke taken in het kader van de tuchtrechtspraak naar behoren kunnen uitoefenen, impliceert niet het door het middelonderdeel verdedigde ontbreken van zelfstandigheid in de zin van artikel 7, lid 1, van de Wet. Het bestaan van een dergelijke overlegstructuur wijst er juist op dat belanghebbende over organisatorische vrijheid met betrekking tot de menselijke en materiële middelen beschikt bij het faciliteren en ondersteunen van de tuchtcolleges bij de uitoefening van hun wettelijke taak.
.Volgens het middelonderdeel heeft het Hof met dit oordeel miskend wat de vereisten zijn voor deelname aan het economische verkeer waaronder wordt begrepen het aanbieden van handelingen onder bezwarende titel op een algemene markt. Voor de gespecialiseerde diensten die belanghebbende aanbiedt aan de tuchtcolleges, namelijk het uitvoeren van griffierswerkzaamheden die in de Advocatenwet zijn omschreven, bestaat geen algemene markt, aldus het middelonderdeel. Gelet op het bepaalde in de statuten van belanghebbende kunnen haar diensten niet op een algemene markt worden aangeboden, en gelet op wat in de Advocatenwet en in en krachtens de Verordening op de advocatuur is bepaald, mogen en kunnen deze diensten niet door een andere partij dan belanghebbende jegens de tuchtcolleges worden verricht. In dit kader wijst middelonderdeel b naar hetgeen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 2016, Gemeente Borsele, C-520/14, ECLI:EU:C:2016:334, is overwogen wat betreft het beoordelen van optreden op een algemene markt.
Het begrip economische activiteit is een objectief begrip in die zin dat de activiteit op zichzelf wordt beschouwd, onafhankelijk van het oogmerk of het resultaat ervan. [6] Een activiteit moet als ‘economisch’ worden aangemerkt, indien deze duurzaam wordt verricht en degene die de activiteit uitoefent een vergoeding ontvangt.
Gelet op de moeilijkheid het begrip economische activiteit nauwkeurig te definiëren, moeten alle omstandigheden waaronder die activiteit plaatsvindt, worden onderzocht, waarbij per geval een beoordeling daarvan wordt verricht tegen de achtergrond van hetgeen de typische gedraging zou zijn van een ondernemer die op het betrokken gebied actief is. [7]
–waarvoor de bijdrage van de NOvA wordt verstrekt – op een algemene markt begeeft en dat die diensten ook door andere partijen kunnen (en worden) aangeboden op een algemene markt. In dit oordeel ligt besloten het oordeel van het Hof dat het zorg dragen voor het nakomen van de in de Advocatenwet neergelegde voorschriften met betrekking tot de griffiers weliswaar een relevant onderdeel van de taakstelling van belanghebbende is, maar dat die zorgverplichting niet typerend is voor de dienstverlening van belanghebbende. Met inachtneming van het voorgaande, geven de hiervoor in 3.6 en 4.4.3 weergegeven oordelen van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het begrip algemene markt. Dat dienstverleners slechts één afnemer hebben, omwille van naleving van wettelijke voorschriften of uit vrije wil, sluit optreden op een algemene markt niet uit. Die oordelen kunnen verder, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ook middelonderdeel b faalt derhalve.
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.5.2 is overwogen, geven die oordelen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij kunnen als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Middelonderdeel c faalt in zoverre.