ECLI:NL:HR:2026:958

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
24/03543
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 53, lid 1, AOWArt. 13, lid 1, Verordening (EG) 883/2004Art. 14, lid 8, Verordening (EG) 987/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt feitelijk oordeel over toepasselijkheid Nederlandse socialezekerheidswetgeving

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over de toepasselijkheid van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving voor de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 mei 2017.

De Centrale Raad had geoordeeld dat belanghebbende substantieel in Nederland werkte, gebaseerd op het vermoeden dat hij ten minste 25 procent van zijn arbeidstijd in Nederland verrichtte. Dit oordeel was mede gebaseerd op het feit dat het schip waarop belanghebbende werkte werd geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde onderneming.

De Hoge Raad oordeelde dat dit een feitelijk oordeel betreft waartegen in cassatie geen succes kan worden behaald, ook al is het vermoeden mede gebaseerd op een omstandigheid die niet doorslaggevend is volgens de Europese verordeningen. Het beroep in cassatie werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het feitelijk oordeel van de Centrale Raad bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03543
Datum26 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 juli 2024, nr. 23/3018 AOW [1] , op het hoger beroep van de Sociale verzekeringsbank tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 22/3212) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank inzake de vaststelling van de toepasselijkheid van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. van Dam, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Centrale Raad) beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 16 januari 2026 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Zowel belanghebbende als de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: de SVB) heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
Bij de beoordeling van de middelen gaat de Hoge Raad om redenen van proceseconomie veronderstellenderwijs uit van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. [3]
2.2.1
Het eerste middel komt erop neer dat de Centrale Raad ten onrechte het door de SVB bij de Centrale Raad ingediende hogerberoepschrift niet heeft gezonden aan het door belanghebbende gekozen domicilieadres en evenmin aan de gemachtigde die voor hem bij de Rechtbank is opgetreden.
2.2.2
Tegen uitspraken van de Centrale Raad betreffende een besluit dat is genomen op grond van de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW) of op grond van andere volksverzekeringswetten, kan op grond van artikel 53, lid 1, van de AOW respectievelijk overeenkomstige bepalingen in die andere volksverzekeringswetten alleen beroep in cassatie worden ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van de in dat artikellid genoemde bepalingen. Het eerste middel bevat geen klachten over een zodanige schending of verkeerde toepassing. De Hoge Raad verwijst hiertoe naar de gronden die zijn weergegeven in de onderdelen 9.5 tot en met 9.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal. Het eerste middel kan daarom niet tot cassatie leiden.
2.3.1
De Centrale Raad heeft geoordeeld dat op belanghebbende tijdens de in geding zijnde periode (1 oktober 2016 tot en met 31 mei 2017) de socialezekerheidswetgeving van zijn woonland Nederland van toepassing was op grond van artikel 13, lid 1, letter a, van de Verordening (EG) nr. 883/2004 en artikel 14, lid 8, van de Verordening (EG) nr. 987/2009. De Centrale Raad is daarbij ervan uitgegaan dat belanghebbende toen een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte. Daartegen richt zich het tweede middel.
2.3.2
Van het verrichten van een substantieel deel van iemands werkzaamheden in een bepaalde lidstaat is sprake indien hij daar arbeid verricht gedurende ten minste 25 procent van zijn arbeidstijd en/of ten minste 25 procent van zijn bezoldiging verkrijgt met in dat land verrichte arbeid. Voor iemand die werkt aan boord van een schip is daarvoor niet van belang in welk land de onderneming is gevestigd die dat schip exploiteert. [4] Het middel faalt voor zover daarin de klacht moet worden gelezen dat de Centrale Raad deze regel zou hebben miskend. Kennelijk is de Centrale Raad in zijn uitspraak ervan uitgegaan dat belanghebbende in Nederland werkzaam was tijdens de in geding zijnde periode gedurende ten minste 25 procent van zijn arbeidstijd (het in artikel 14, lid 8, van de Verordening nr. 987/2009 genoemde percentage).
2.3.3
Het tweede middel klaagt erover dat de Centrale Raad dat uitgangspunt, in navolging van de SVB, heeft gebaseerd op het vermoeden dat iemand substantieel in Nederland werkt indien hij vaart op een schip dat wordt geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde onderneming. Het middel betoogt dat aan die omstandigheid geen betekenis mag worden toegekend om een oordeel te kunnen geven over het al dan niet substantiële karakter van werkzaamheden in Nederland.
2.3.4
De Centrale Raad heeft overwogen dat de SVB voorafgaand aan het bestreden besluit toereikend onderzoek heeft gedaan naar de relevante feiten, terwijl belanghebbende en zijn werkgever niet met vaartijdenboeken of anderszins genoegzaam aannemelijk hebben gemaakt in welke verhouding zijn werkzaamheden in de periode die in geding is, waren verdeeld tussen zijn woonland Nederland en andere lidstaten. Bij gebrek aan objectief verifieerbare individuele informatie heeft de SVB daarom naar het oordeel van de Centrale Raad terecht op grond van een beredeneerd vermoeden vastgesteld dat over de periode in geding niet de wetgeving van Liechtenstein maar die van Nederland op belanghebbende van toepassing is. De Centrale Raad heeft daarbij ook van belang geacht dat de situatie van belanghebbende niet relevant verschilde van die waarop een eerder, en inmiddels onherroepelijk geworden besluit van de SVB zag op grond waarvan de Nederlandse socialeverzekeringswetgeving destijds op belanghebbende van toepassing was.
2.3.5
Gelet op wat hiervoor in 2.3.2 is overwogen, moet worden aangenomen dat de Centrale Raad zijn beslissing aldus, bij gebrek aan informatie van de kant van belanghebbende en zijn werkgever, heeft gebaseerd op het niet-weerlegde bewijsvermoeden dat belanghebbende tijdens de in geding zijnde periode gedurende ten minste 25 procent van zijn arbeidstijd in Nederland werkzaam was.
2.3.6
Dat is een feitelijk oordeel. Daaraan kan niet afdoen dat het door het middel bestreden bewijsvermoeden mede is gebaseerd op de omstandigheid dat het schip wordt geëxploiteerd door een in Nederland gevestigde onderneming, een omstandigheid die niet van belang is om vast te stellen of iemands werkzaamheden in een bepaalde lidstaat al dan niet een substantieel deel van zijn werkzaamheden vormen in de zin van de hiervoor in 2.3.1 vermelde verordeningen.
2.3.7
Gezien het bepaalde in artikel 53, lid 1, van de AOW en overeenkomstige bepalingen in andere volksverzekeringswetten kan over een feitelijk oordeel en de motivering daarvan in een uitspraak van de Centrale Raad niet met succes worden geklaagd in cassatie. [5] Het tweede middel faalt daarom eveneens.

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.

Voetnoten

3.Vgl. HR 20 april 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3803, onderdeel 4, en HR 19 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4634, rechtsoverweging 4.2.
4.Vgl. HvJ 4 september 2025, Hakamp, C-203/24, ECLI:EU:C:2025:662, punten 53 en 55.
5.Vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1026, rechtsoverweging 3.2.