Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:908

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/04340
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 295 lid 3 FwArt. 315 FwArt. 360 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen afwijzing doorbreking rechtsmiddelenverbod in WSNP-bewindvoering

De zaak betreft een geschil tussen een beschermingsbewindvoerder en een WSNP-bewindvoerder over de opname van kosten van beschermingsbewindvoering in het vrij te laten bedrag binnen de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank Limburg wees het hoger beroep van de beschermingsbewindvoerder af, omdat geen doorbrekingsgrond voor het rechtsmiddelenverbod werd erkend.

De Hoge Raad overweegt dat tegen een beschikking van de rechtbank waarin een beroep op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod wordt afgewezen, cassatieberoep openstaat zonder dat opnieuw doorbrekingsgronden hoeven te worden aangevoerd. De termijn voor het instellen van cassatieberoep is acht dagen na de uitspraak van de rechtbank.

Het cassatieberoep van de beschermingsbewindvoerder werd ingesteld op 28 november 2025, terwijl de uitspraak van de rechtbank op 19 november 2025 was. Hierdoor is het beroep niet tijdig ingediend en verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. De inhoudelijke klachten worden eveneens ongegrond geacht zoals uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn van acht dagen na uitspraak rechtbank.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer25/04340
Datum12 juni 2026
BESCHIKKING
In de zaak van
[Beschermingsbewindvoerder] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van [schuldenaar] ,
kantoorhoudende te [plaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de beschermingsbewindvoerder,
advocaten: J. van Weerden en E.J.H. Zandbergen,
tegen
[WSNP-bewindvoerder] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder in de schuldsanering van [schuldenaar] ,
kantoorhoudende te Eindhoven,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de WSNP-bewindvoerder,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/344557 / HA RK 25-137 van de rechtbank Limburg van 19 november 2025.
De beschermingsbewindvoerder heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
De WSNP-bewindvoerder heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de beschermingsbewindvoerder in zijn beroep.
De advocaten van de beschermingsbewindvoerder hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De goederen van de schuldenaar zijn onder bewind gesteld. Nadien is de schuldenaar toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.
(ii) Bij aanvang van de schuldsaneringsregeling heeft de beschermingsbewindvoerder gevraagd om de kosten van de beschermingsbewindvoering op te nemen in het zogeheten vrij te laten bedrag. Dit verzoek is afgewezen op de grond dat bijzondere bijstand voor deze kosten kon worden aangevraagd.
(iii) Het verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van de beschermingsbewindvoering is afgewezen. Het bezwaar tegen die beschikking is ongegrond verklaard, evenals het daartegen ingestelde beroep bij de rechtbank.
2.2
De rechter-commissaris heeft in de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedure geen aanleiding gezien om de kosten van de beschermingsbewindvoering op te nemen in het vrij te laten bedrag. Bij beschikking van 24 juli 2025 heeft de rechter-commissaris een verzoek daartoe van de beschermingsbewindvoerder afgewezen. Een herhaald verzoek met gelijke strekking heeft de rechter-commissaris bij beschikking van 11 augustus 2025 afgewezen.
2.3
De beschermingsbewindvoerder heeft bij de rechtbank hoger beroep ingesteld van de beschikking van de rechter-commissaris van 11 augustus 2025. De rechtbank [1] heeft bij beschikking van 19 november 2025 de beschermingsbewindvoerder ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en het hoger beroep verworpen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, het volgende overwogen.
Tegen een beschikking van de rechter-commissaris als hier aan de orde staat geen hoger beroep open (art. 315 lid 2 Fw Pro en art. 295 lid 3 Fw Pro). Dat kan anders zijn wanneer zich een doorbrekingsgrond voordoet. De beschermingsbewindvoerder heeft een beroep gedaan op doorbrekingsgronden, waardoor hij kan worden ontvangen in zijn hoger beroep. Geen van de aangevoerde doorbrekingsgronden slaagt evenwel, waardoor het hoger beroep moet worden verworpen. (rov. 4.2-4.10)

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

3.1
Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking waarin is geoordeeld dat de aangevoerde gronden voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 315 lid 2 Fw Pro in verbinding met art. 295 lid 3 Fw Pro niet slagen, en het hoger beroep daarom moet worden verworpen. Tegen zodanige uitspraak staat beroep in cassatie open zonder dat daarvoor – opnieuw – doorbrekingsgronden behoeven te worden aangevoerd. [2] De vraag ligt voor welke termijn in dat geval geldt voor het instellen van beroep in cassatie.
3.2
De wet bevat geen termijn voor het instellen van een rechtsmiddel met een beroep op doorbreking van een rechtsmiddelenverbod of voor het instellen van een cassatieberoep tegen een daarop gedane uitspraak. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad is de termijn voor het instellen van beroep in cassatie tegen een op de voet van art. 315 lid 1 Fw Pro gegeven beschikking van de rechtbank waarmee doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw Pro wordt beoogd, acht dagen na de dag van de uitspraak. [3] Met het oog op de hanteerbaarheid in de praktijk van de in dit verband in acht te nemen termijnen moet voor het instellen van beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank waarin een beroep op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 315 lid 2 Fw Pro is afgewezen van dezelfde termijn worden uitgegaan.
3.3
Het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank van 19 november 2025 is ingesteld op 28 november 2025 en dus niet binnen acht dagen na de dag van de uitspraak. De beschermingsbewindvoerder is daarom niet ontvankelijk in dat beroep.
3.4
Overigens zijn de in het middel aangevoerde klachten ongegrond, op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.1-4.6.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op
12 juni 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Limburg 19 november 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:11417.
2.Vgl. HR 17 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5174, rov. 3.1, HR 24 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0641, rov. 3 en HR 20 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0912, rov. 3.
3.HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1676, rov. 3.5 en HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:51, rov. 3.2.