Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
12 juni 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een beschermingsbewindvoerder en een WSNP-bewindvoerder over de opname van kosten van beschermingsbewindvoering in het vrij te laten bedrag binnen de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank Limburg wees eerder het hoger beroep van de beschermingsbewindvoerder af, omdat geen doorbrekingsgrond voor het rechtsmiddelenverbod werd erkend.
De beschermingsbewindvoerder stelde vervolgens cassatieberoep in tegen deze afwijzing. De Hoge Raad overwoog dat tegen een beschikking waarin een beroep op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod wordt afgewezen, cassatieberoep openstaat zonder dat opnieuw doorbrekingsgronden hoeven te worden aangevoerd. De termijn voor het instellen van cassatie is acht dagen na de uitspraak van de rechtbank.
In deze zaak werd het cassatieberoep ingesteld na deze termijn, waardoor de Hoge Raad de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk verklaarde. Tevens werden de inhoudelijke klachten van de beschermingsbewindvoerder ongegrond bevonden, conform de conclusie van de Advocaat-Generaal.
De beschikking van de Hoge Raad werd uitgesproken op 12 juni 2026 door de vicepresident en raadsheren, waarbij de raadsheer Salomons de uitspraak in het openbaar deed.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn van acht dagen.