Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 juni 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland waarbij een zorgmachtiging werd verleend voor de duur van twaalf maanden, aansluitend op een eerdere machtiging van zes maanden. De officier van justitie had tijdig een verzoek ingediend voor een aansluitende machtiging, maar de rechtbank besloot niet binnen de wettelijk voorgeschreven beslistermijn van drie weken.
Volgens de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) vervalt een zorgmachtiging als de rechter niet binnen drie weken beslist op een aansluitend verzoek, ook al is de geldigheidsduur van de eerdere machtiging nog niet verstreken. Hierdoor kon de rechtbank geen aansluitende machtiging voor twaalf maanden verlenen, maar slechts een machtiging voor maximaal zes maanden.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank deze wettelijke bepalingen heeft miskend en vernietigt het deel van de beschikking dat de machtiging voor twaalf maanden verleent. De Hoge Raad bepaalt zelf dat de zorgmachtiging geldt tot uiterlijk 31 januari 2026, zes maanden na de datum van de beschikking. Hiermee wordt de wettelijke termijn gehandhaafd en wordt de zorgmachtiging beperkt tot de maximale duur die na het verstrijken van de beslistermijn mogelijk is.
Uitkomst: De Hoge Raad beperkt de duur van de zorgmachtiging tot zes maanden vanaf de datum van de beschikking, vernietigt de langere machtiging.