Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
20 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2023. De verdachte was veroordeeld voor grootschalige beleggingsfraude en oplichting van investeerders, waarbij hij samen met mededaders een bedrag van € 3.148.734,60 aan benadeelde partijen moest vergoeden. De Hoge Raad heeft zich gebogen over twee belangrijke punten: de alternatieve vergoedingsplicht en de hoofdelijkheid van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof had verzuimd om in zijn uitspraak expliciet te vermelden dat de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel een alternatieve vergoedingsplicht met zich meebracht. Dit betekent dat de verdachte niet twee keer voor dezelfde schade hoeft te betalen, wat de Hoge Raad heeft gecorrigeerd. Daarnaast heeft de Hoge Raad vastgesteld dat het hof onmiskenbaar de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk had willen opleggen, ondanks dat dit niet expliciet in het dictum was opgenomen. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof gedeeltelijk vernietigd, de gevangenisstraf verminderd en verduidelijkt dat de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk is opgelegd. Dit arrest benadrukt het belang van duidelijke formuleringen in uitspraken van hoven en de mogelijkheid voor hoven om kennelijke misslagen zelf te herstellen.