ECLI:NL:HR:2026:77

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
23/04870
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over grootschalige beleggingsfraude en alternatieve vergoedingsplicht

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 20 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2023. De verdachte was veroordeeld voor grootschalige beleggingsfraude en oplichting van investeerders, waarbij hij samen met mededaders een bedrag van € 3.148.734,60 aan benadeelde partijen moest vergoeden. De Hoge Raad heeft zich gebogen over twee belangrijke punten: de alternatieve vergoedingsplicht en de hoofdelijkheid van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof had verzuimd om in zijn uitspraak expliciet te vermelden dat de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel een alternatieve vergoedingsplicht met zich meebracht. Dit betekent dat de verdachte niet twee keer voor dezelfde schade hoeft te betalen, wat de Hoge Raad heeft gecorrigeerd. Daarnaast heeft de Hoge Raad vastgesteld dat het hof onmiskenbaar de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk had willen opleggen, ondanks dat dit niet expliciet in het dictum was opgenomen. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof gedeeltelijk vernietigd, de gevangenisstraf verminderd en verduidelijkt dat de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk is opgelegd. Dit arrest benadrukt het belang van duidelijke formuleringen in uitspraken van hoven en de mogelijkheid voor hoven om kennelijke misslagen zelf te herstellen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/04870
Datum20 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 december 2023, nummer 23-002620-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
Namens de [benadeelde] heeft de advocaat C.W. Noorduyn een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover deze niet een alternatieve vergoedingsplicht bevat, tot bepaling dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij doet vervallen, en dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij in zoverre de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen doet vervallen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof geen alternatieve vergoedingsplicht heeft opgenomen in zijn uitspraak.
2.2
Het hof heeft de verdachte onder meer veroordeeld tot betaling van een bedrag van in totaal € 3.148.734,60 aan de in bijlage IA bij de uitspraak genoemde benadeelde partijen. Daarnaast heeft het hof, onder aanhaling van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, aan de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 3.148.734,60 ten behoeve van deze benadeelde partijen.
2.3
Het hof heeft in zijn uitspraak ten onrechte niet vermeld dat de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel steeds een alternatieve vergoedingsplicht meebrengt, in die zin dat de verdachte is gekweten van zijn plicht tot schadeloosstelling van een benadeelde partij als en voor zover hij heeft voldaan aan zijn verplichting tot vergoeding van de schade die door die benadeelde partij is geleden. Op die manier wordt voorkomen dat de veroordeelde op grond van één rechterlijke uitspraak gedwongen wordt om dezelfde schade tweemaal te vergoeden.
2.4
Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal doen wat het hof had moeten doen.
2.5
Het cassatiemiddel klaagt verder onder meer dat het hof bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel niet in het dictum heeft vermeld dat sprake is van hoofdelijkheid.
2.6
De uitspraak van het hof houdt over de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel onder meer in:
“Vorderingen van de benadeelde partijen
(...)
Voor wat betreft het toegewezen deel van de vorderingen is de verdachte samen met zijn mededaders hoofdelijk tot vergoeding van de schade gehouden.
(...)
Schadevergoedingsmaatregel
(...)
Oordeel van het hof
Anders dan de raadsman meent, wordt gijzeling niet toegepast als een veroordeelde aannemelijk maakt dat hij niet in staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling. Het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel leidt daarom niet zonder meer tot het uitzitten van een vervangende hechtenis.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed. Het hof neemt als schade in aanmerking de toegewezen bedragen aan de benadeelde partijen, zoals opgenomen in bijlage la bij dit arrest, met een totaalbedrag van € 3.148.734,60.
Het hof bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de in de bijlage genoemde benadeelde partijen met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling van de aldaar berekende duur kan worden toegepast.
(...)
BESLISSING
Het hof:
(...)
Vorderingen van de benadeelde partijen
Wijst toe de vorderingen tot schadevergoeding van de in bijlage la bij dit arrest opgenomen benadeelde partijen tot de bedragen als genoemd in die bijlage (onder het kopje “toegewezen bedrag”), waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de in die bijlage opgenomen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
(...)
Schadevergoedingsmaatregel
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de slachtoffers zoals vermeld in bijlage Ia en tot de bedragen als genoemd in die bijlage (onder het kopje “toegewezen bedrag”), ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.148.734,60 (drie miljoen honderdachtenveertigduizend zevenhonderdvierendertig euro en zestig eurocent) vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 360 (driehonderdzestig) dagen conform bijlage Ia bij dit arrest. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting per gedupeerde telkens vervangen door gijzeling van het aantal dagen dat in bijlage Ia is vermeld. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.”
2.7
Gelet op de onder 2.6 weergegeven overweging en beslissing heeft het hof onmiskenbaar bedoeld ook de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk op te leggen. Het verzuim om dit in het dictum tot uitdrukking te brengen berust daarom op een kennelijke misslag. Het cassatiemiddel klaagt hierover terecht. Tot cassatie hoeft deze misslag echter niet te leiden, omdat de Hoge Raad de uitspraak van het hof zo verstaat dat ook de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk is opgelegd.
2.8
Opmerking verdient nog dat kennelijke misslagen als deze zich bij uitstek lenen voor herstel door het hof zelf. Het gaat immers om onmiddellijk kenbare fouten die zich voor eenvoudig herstel lenen door de rechters die op de zaak hebben gezeten overeenkomstig de beslissingen van de Hoge Raad in de arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op een eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan over de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. Wanneer in zo’n geval zekerheidshalve – naast het doen van het verzoek om een herstelarrest – ook cassatieberoep is ingesteld, kan dat beroep of het betreffende cassatiemiddel worden ingetrokken zodra het herstelarrest is gewezen. (Vgl. HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:859.)

3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 41 maanden.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover de uitspraak niet een alternatieve vergoedingsplicht bevat;
- vermindert de gevangenisstraf in die zin dat deze veertig maanden beloopt;
- bepaalt dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan een benadeelde partij genoemd in bijlage IA bij de uitspraak van het hof telkens in zoverre de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van die benadeelde partij doet vervallen, en dat voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van een benadeelde partij in zoverre de verplichting tot betaling aan die benadeelde partij doet vervallen;
- verstaat dat het hof de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk heeft opgelegd;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 januari 2026.