Uitspraak
1.De loop van het geding in cassatie tot dusver
2.Nadere beoordeling van de middelen
Het Hof van Justitie heeft de vragen beantwoord vanuit het oogpunt van artikel 49 VWEU Pro aangezien eventuele beperkingen die voortvloeien uit de aan de orde zijnde belastingregeling (artikel 10a van de Wet) onvermijdelijk voortvloeien uit een belemmering van de vrijheid van vestiging. Bij het arrest van 4 oktober 2024, X BV, C-585/22, ECLI:EU:C:2024:822 (hierna: het arrest X BV), heeft het Hof van Justitie die vragen beantwoord.
Blijkens het arrest X BV is de 10a-regeling geschikt om het door die regeling nagestreefde doel op coherente en systematische wijze te waarborgen. Hierbij vormt de mogelijkheid die artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet biedt om het vermoeden dat is gevestigd doordat is voldaan aan de criteria van artikel 10a, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet, te weerleggen, een zodanige afbakening van de gevallen die door de renteaftrekbeperking worden getroffen, dat de laatstgenoemde bepaling niet een ongerechtvaardigd vermoeden bevat dat de schuld deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie.
Blijkens het arrest X BV gaat de 10a-regeling ookniet verder dan noodzakelijk is om het door die regeling nagestreefde doel te bereiken omdat de weigering van de renteaftrek is beperkt tot gevallen waarin een lening binnen een groep van verbonden lichamen deel uitmaakt van een volstrekt kunstmatige constructie
,dat wil zeggen in zodanige mate door fiscale motieven is ingegeven dat die lening niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van zakelijk gefundeerde doeleinden en in het geheel niet zou zijn aangegaan door lichamen waartussen geen bijzondere betrekkingen bestaan (vgl. punt 71 van het arrest X BV). De weigering van elke renteaftrek is in dat geval verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel (vgl. punt 88 van het arrest X BV).
Voor zover middel III en middel V anders betogen, falen zij dus.
In de gevallen waarop artikel 10a van de Wet betrekking heeft, vindt volgens het arrest X BV het kunstmatige karakter van de lening als (onderdeel van) de constructie zijn oorsprong in de omleiding van eigen vermogen van een groep, welk eigen vermogen op kunstmatige wijze bij een Nederlands lichaam van die groep wordt gepresenteerd als vreemd vermogen, en in de omstandigheid dat de rente ter zake van een dergelijke lening in aftrek kan worden gebracht op het in Nederland belastbare resultaat. In die gevallen weerspiegelt de omzetting in vreemd vermogen, en dus de lening, niet de economische realiteit zoals bedoeld in de punten 54 en 64 van het arrest X BV en is het karakter van die lening volstrekt kunstmatig. De 10a-regeling verhindert dat de rente ter zake van een dergelijke lening in aftrek kan worden gebracht op het in Nederland belastbare resultaat. Daarbij gaat het om de in punt 71 van het arrest X BV omschreven gevallen waarin de lening binnen een groep van verbonden vennootschappen in zodanige mate door fiscale motieven is ingegeven dat die lening niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van zakelijk gefundeerde doeleinden en in het geheel niet zou zijn aangegaan door lichamen waartussen geen bijzondere betrekkingen bestaan.
in overwegende matezakelijke overwegingen ten grondslag liggen, heeft het volgende te gelden.
Belanghebbende constateert dat deze nationale maatstaf strenger is geformuleerd dan de Unierechtelijke maatstaf voor zover die laatste maatstaf voor het bewijs dat niet een
volstrektkunstmatige constructie bestaat
,slechts vereist dat schuld en rechtshandeling
enigverband houden met de economische realiteit (punt 57 van het arrest X BV) of, kort gezegd, anderszins niet zijn aangegaan
zonder enigebedrijfseconomische reden.
,64 en 71 van het arrest X BV gegeven omschrijvingen van het begrip volstrekt kunstmatige constructie, is het ontbreken van de economische realiteit weliswaar een van de elementen voor deze kwalificatie, maar vormt het element van de fiscale motieven (de ontwijking van de winstbelasting) het doorslaggevende element voor het bestaan van een volstrekt kunstmatige constructie. Daarom moet worden aangenomen dat het bij de kwalificatie van een transactie – zoals het aangaan van een schuld – als (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie dus uitsluitend gaat om gevallen waarin fiscale overwegingen, gericht op het ontwijken van belasting, de doorslag hebben gegeven voor het aangaan van die transactie, en zulks ongeacht of daarvoor ook andere, gewichtige(r) bedrijfseconomische overwegingen bestaan.
;het bevat ook geen criteria voor de beantwoording van deze vraag. Dit punt 88 betreft de vraag of, in het licht van hetgeen het Hof van Justitie heeft geoordeeld in punt 51 van het arrest Lexel, de weigering van elke renteaftrek proportioneel is indien niet de rentevoet ongebruikelijk hoog is, maar de lening als zodanig (onderdeel van) een volstrekt kunstmatige constructie is. In punt 88 van het arrest X BV neemt het Hof van Justitie tot uitgangspunt dat de desbetreffende lening vanwege het ontberen van elke economische rechtvaardiging deel uitmaakt van zo’n kunstmatige constructie en adresseert vervolgens de hiervoor bedoelde vraag, die bevestigend wordt beantwoord. Dat antwoord is anders wanneer de kunstmatigheid van de constructie uitsluitend is gelegen in de hoogte van de rentevoet (punt 87 van het arrest X BV).
Voor zover belanghebbende heeft bedoeld eenzelfde betoog naar voren te brengen met betrekking tot de onevenredigheid van de weigering van elke renteaftrek, faalt haar betoog eveneens, en op dezelfde gronden als hiervoor vermeld.
Met deze oordelen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het – in navolging van de Rechtbank – van oordeel is dat ook indien [C] in het algemeen gesproken een financiële spilfunctie binnen het concern vervulde, [3] niet aannemelijk is gemaakt dat [C] deze functie eveneens vervulde in het kader van de onderhavige financiering. In het geval van de onderhavige financiering is volgens het Hof de functie van [C] kennelijk niet méér geweest dan die van een doorgeefluik, omdat eigen vermogen dat binnen het concern aanwezig was, via [C] is omgeleid en in vreemd vermogen bij belanghebbende is omgezet. [4] Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting van de begrippen financiële spilfunctie en doorgeefluik zoals bedoeld in arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:330 (het spilfunctiearrest). Voor het overige zijn zij verweven met waarderingen van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk; zij kunnen daarom door de Hoge Raad in de cassatieprocedure verder niet op juistheid worden getoetst.