Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:599

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
25/01559
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroepen in cassatie ongegrond inzake aansprakelijkstelling voor nageheven loonheffingen

Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor nageheven loonheffingen van een vennootschap over de periode 2011 tot en met 2014, inclusief opgelegde boetes en heffingsrente. Na eerdere procedures bij de rechtbank en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij uitspraken werden gedaan over deze aansprakelijkstellingen, zijn beide partijen in cassatie gegaan bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende en de Staatssecretaris beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad heeft daarbij geen motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft tevens geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond. Hiermee blijft de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in stand, waarbij de aansprakelijkstelling en de daarbij behorende boetes en rente zijn bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de beroepen in cassatie ongegrond en bevestigt de aansprakelijkstelling en boetes.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/01559
Datum10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 maart 2025, nrs. BK-ARN 23/1490 tot en met 23/1493 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, (nrs. BRE 17/5075, 16/3534, 16/3535 en 17/5073) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor van [A] B.V. nageheven loonheffingen over de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013, voor de daarbij voor de naheffing over het jaar 2013 opgelegde boete en voor de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente respectievelijk belastingrente, en betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling voor van [A] B.V. nageheven loonheffingen over de periode oktober 2013 tot en met februari 2014 en voor de daarbij opgelegde boetes.

1.Het eerste geding in cassatie

1.1
Bij arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:181, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020, nr. 19/00161 [2] , met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
1.2
Bij arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:182, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020, nrs. 19/00162 tot en met 19/00164 [3] , met verwijzing van het geding naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.C.J. Schoenmakers, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend en heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
De Advocaat-Generaal R.J. Koopman heeft op 19 december 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van zowel het principale beroep in cassatie als het incidentele beroep in cassatie. [4]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

De Hoge Raad heeft ook deze klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.