Belanghebbende, V.O.F. [X], stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de door haar betaalde omzetbelasting over het laatste kwartaal van 2019, met betrekking tot de levering van magische truffels. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond.
De zaak betrof de uitleg van art. 9, lid 2, letter a, van de Wet op de Omzetbelasting 1968 en de toepassing daarvan op levensmiddelen voor menselijke consumptie, waaronder magische truffels. De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie en het rechtszekerheidsbeginsel.
Daarnaast had belanghebbende een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. De Hoge Raad constateerde een termijnoverschrijding van minder dan zes maanden en kende een vergoeding van € 500 toe.
De Staat werd veroordeeld tot betaling van deze schadevergoeding en de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, vastgesteld op € 234 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het arrest werd op 10 april 2026 gewezen door de Hoge Raad.