ECLI:NL:HR:2026:570
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijsregels voor ontvangst bezwaarschrift per e-mail bij WOZ-beschikking
Belanghebbende had een bezwaarschrift per e-mail ingediend tegen een WOZ-beschikking, maar de Rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat het bezwaarschrift tijdig was ontvangen door het bestuursorgaan. De Rechtbank vond de enkele schermafbeelding van het verzonden e-mailbericht onvoldoende bewijs, mede omdat de heffingsambtenaar gemotiveerd betwistte dat het bericht was ontvangen.
Belanghebbende ging in verzet en voerde opnieuw aan dat de schermafbeelding voldoende bewijs was, maar kon geen aanvullende ontvangst- of leesbevestiging overleggen. De Rechtbank handhaafde haar oordeel dat de ontvangst redelijkerwijs moet worden betwijfeld.
De Hoge Raad bevestigt dat op grond van artikel 2:17, lid 2, oud Awb (thans 2:20 Awb) het tijdstip van ontvangst van een e-mailbericht het moment is waarop het bericht het systeem van het bestuursorgaan bereikt. Indien het bestuursorgaan stelt het bericht niet te hebben ontvangen, moet de verzender aannemelijk maken dat het bericht naar het juiste e-mailadres is verzonden. Dit leidt tot een vermoeden van ontvangst, dat het bestuursorgaan kan ontzenuwen door te tonen dat het bericht niet in het systeem is aangekomen.
De Hoge Raad oordeelt dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de ontvangst van het bezwaarschrift redelijkerwijs moet worden betwijfeld op grond van de verklaring van de heffingsambtenaar en het onderzoek van de systeembeheerder. De enkele schermafbeelding is onvoldoende om het bewijs van ontvangst te leveren. Het beroep in cassatie wordt daarom ongegrond verklaard.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en bevestigt de geldende bewijsregels voor elektronische verzending van bezwaarschriften.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard omdat de ontvangst van het per e-mail verzonden bezwaarschrift niet aannemelijk is gemaakt.