ECLI:NL:HR:2026:460
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt matiging proceskostenvergoeding bij WOZ-geschil wegens formeel gebrek
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een WOZ-beschikking en aanslag onroerendezaakbelasting 2022, waarbij hij op grond van artikel 40, lid 2, Wet WOZ om inzage in bepaalde gegevens verzocht. De heffingsambtenaar weigerde deze gegevens te verstrekken, wat door de rechtbank werd erkend als gegrond bezwaar. De rechtbank kende proceskostenvergoeding toe met een lage wegingsfactor vanwege het ondergeschikte belang van het geschil.
Het hof bevestigde deze matiging en oordeelde dat het geschilpunt een formeel gebrek betrof, waarvoor geen feitenonderzoek nodig was, en dat partijen het eens waren over de gegrondheid. Belanghebbende stelde dat een hogere wegingsfactor had moeten gelden, maar het hof verwierp dit.
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de motivering toereikend was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee is bevestigd dat matiging van proceskostenvergoeding passend is bij WOZ-geschillen met formele gebreken van ondergeschikt belang.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de matiging van de proceskostenvergoeding wordt bevestigd.