Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:404

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
24/01009
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt heffing griffierecht ondanks beroep op betalingsonmacht

Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en de Rechtbank Gelderland met betrekking tot een voorlopige voorziening en hoger beroep in een belastingzaak.

Belanghebbende voerde betalingsonmacht aan om af te zien van het griffierecht in de cassatieprocedure. De griffier van de Hoge Raad heeft daarop informatie ingewonnen en concludeerde dat het netto-inkomen van belanghebbende niet lager was dan 95 procent van de relevante maximale bijstandsnorm voor een alleenstaande tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

De Hoge Raad oordeelde dat de griffier terecht geen aanleiding had gezien om af te zien van de heffing van het griffierecht. De klachten van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof konden niet leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.

Het arrest werd gewezen door raadsheren Feteris, van der Voort Maarschalk en van Roij en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het griffierecht blijft verschuldigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/01009
Datum13 maart 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 maart 2024, nrs. BK-ARN 24/309, 24/310, 24/311 en 24/312 [1] , op het verzoek van belanghebbende tot het treffen van een voorlopige voorziening en het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 22/3247, 22/3249 en 22/3251).

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.De heffing van griffierecht in cassatie

2.1
Belanghebbende heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan met betrekking tot het voor de cassatieprocedure verschuldigde griffierecht. De griffier van de Hoge Raad heeft naar aanleiding daarvan informatie bij belanghebbende ingewonnen, en heeft in de verstrekte informatie geen aanleiding gezien van heffing van griffierecht af te zien. Belanghebbende heeft het griffierecht onder protest betaald.
2.2
De Hoge Raad is van oordeel dat de griffier terecht geen aanleiding heeft gezien van heffing van griffierecht af te zien. Op grond van de door belanghebbende overgelegde documenten acht de Hoge Raad namelijk niet aannemelijk dat zijn maandelijkse netto-inkomen in de hier van belang zijnde periode minder bedraagt dan 95 procent van de in dit geval relevante (maximale) bijstandsnorm voor een alleenstaande tot de AOW-gerechtigde leeftijd. [2]

3.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651, rechtsoverweging 2.2.4.