Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:401

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
24/00914
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.14a lid 1 letter b Wet IB 2001Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieVerordening 883/2004Verordening 857/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing inkomensafhankelijke combinatiekorting wegens niet-naleving inschrijvingsvereiste

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin het hof oordeelde dat belanghebbende geen recht heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor het jaar 2014 omdat niet is voldaan aan het inschrijvingsvereiste van artikel 8.14a, lid 1, letter b, Wet IB 2001 (tekst 2014).

Het hof stelde tevens vast dat deze beslissing niet in strijd is met de Verordening 883/2004 en Verordening 857/2009 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels, noch met andere regels van het Unierecht. Belanghebbende verzocht de Hoge Raad om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, maar de Hoge Raad zag hiervoor geen aanleiding.

De Hoge Raad heeft alle klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet uitvoerig omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Ten slotte heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof bevestigd dat belanghebbende geen recht heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting wegens niet-naleving van het inschrijvingsvereiste.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/00914
Datum13 maart 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 januari 2024, nr. 22/00793 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/7652) betreffende een verzoek om ambtshalve vermindering van de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1
In de uitspraak van het Hof liggen de oordelen besloten (i) dat belanghebbende geen recht heeft op de inkomensafhankelijke combinatiekorting omdat niet is voldaan aan het inschrijvingsvereiste van artikel 8.14a, lid 1, letter b, Wet IB 2001 (tekst 2014), en (ii) dat dit niet leidt tot schending van de Verordening 883/2004 en de Verordening 857/2009 inzake de coördinatie van socialezekerheidsstelsels, noch tot een schending van enige andere regel van het Unierecht. De klachten falen voor zover zij zich hiertegen richten, aangezien die oordelen, naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is, juist zijn. De Hoge Raad ziet daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals door belanghebbende is verzocht.
2.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.