Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over terugbetalingsverzoeken van omzetbelasting, accijns en rente. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
Daarnaast heeft belanghebbende een verzoek ingediend om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. De Hoge Raad constateerde dat de termijnoverschrijding meer dan 12 maar minder dan 18 maanden bedroeg en kende daarom een vergoeding van €1.500 toe.
De Hoge Raad veroordeelde de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) tevens in de proceskosten van het cassatieberoep, vastgesteld op €234 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 6 maart 2026.